Skip to main content

Full text of "Bastiaen Jansz. Krol, krankenbezoeker"

See other formats


SH 







^-iq* 



4.* ■ 



f^* .o'^ 






i-X /..^'-.-^ W**.>iïii-\ oO^-i^^-'^o .**\ 



^0- 



























/•O c"""" o 






* -V^ N<> %^ 




t 

Bastiaen Jansz. Krol 

Krankenbezoeker, Kommies en 
KOMMANDEUR VAN NIEUW-NEDERLAND 

(1595—1645) 

NIEUWE GEGEVENS VOOR DE KENNIS DER VESTIGING VAN 

ONS KERKELIJK EN KOLONIAAL GEZAG IN 

NOORD-AMERIKA 



DOOR 



Dr. A. eekhof 



(iMET KAART, 37 GEDRUKTF, BIJLAGEN EN 8 FACSIMfLES 







'S-GRAVENHAGE 

MARTINUS NIJHOFF 
1910 



BASTIAEN JANSZ. KROL 



Bastiaen Jansz. Krol 

Krankenbezoeker, Kommies en 
KOMMANDEUR VAN NIEUW-NEDERLAND 

(1595—1645) 

NIEUWE GEGEVENS VOOR DE KENNIS DER VESTIGING VAN 

ONS KERKELIJK EN KOLONIAAL GEZAG IN 

NOORD-AMERIKA 



DOOR 



Dr. A. eekhof 



(met kaart, 37 GEDRUKTE BIJLAGEN EN 8 FACSIMILES) 




'S-GRAVENHAGE 

MARTINUS NIJHOFF 
1910 



f; 



\12"?; 



/i 



^ 



,K^t 



STOOMDRUKKERIJ KOCH & KNUTTEL — GOUDA. 



EEN WOORD VOORAF. 



Het geschrift, dat ik thans het publiek aanbied, is de vrucht van uit- 
gebreide archief-studie. Inzonderheid hebben de Protocollen van den 
Kerkeraad van Amsterdam mij tot de samenstelling daarvan materiaal 
verschaft. De genoemde geschiedbron, zoo belangrijk voor de kennis van 
den oorsprong van het kerkelijk en koloniaal leven in Nieuw-Nederland, 
is nog nimmer, ook niet door Amerikaansche historici als J. R. Brodhead, 
R. Randall Hoes en Dr, E. T. Corwin, voor dit doel doorvorscht. De 
bekende Prof. H. C. Millies heeft weliswaar in zijne geschreven aan- 
teekeningen, die thans nog op de Rijks Universiteits-Bibliotheek te 
Utrecht worden bewaard, eenige regesten van sommige protocol-extracten 
gemaakt, doch deze zijn niet verwerkt en bovendien onvolledig. En toch 
verdienen de Amsterdamsche Kerkeraads-notulen eene grondige bestudee- 
ring ten volle, want hare inhoud werpt, gelijk uit dit geschrift blijken 
zal, over de koloniale en kerkelijke historie van Noord-Amerika een 
ongekend, verrassend licht. Voorts heb ik deze vondsten met nieuwe 
gegevens uit het Oud-Archief en het Notarieel-Archief te Amsterdam, 
kunnen aanvullen. 

De liefde voor mijn onderwerp is bij mij, op de wetenschappelijke 
studie-reis, die ik in den zomer van het jaar 1909 door de Vereenigde 
Staten van Noord-Amerika maakte, versterkt geworden. Tot het onder- 
nemen daarvan stelden de Curatoren der Hoogeschool van Leiden mij 
goedgunstig in staat. Ten blijke mijner oprechte dankbaarheid, draag ik 
dezen eersteling mijner studiën over Nieuw-Nederland aan hen, of in 
zooverre zij reeds zijn overleden, aan hunne nagedachtenis op. 

Ik bpn aan velen dank verschuldigd, voor de hulp mij bij mijnen 
arbeid v«rleend. In de eerste plaats dank ik den Kerkeraad van 
Amsterdam, die zijn Archief op zoo royale wijze geheel ter mijner be- 
schikking heeft gesteld ; die mij nog bovendien toestemming tot reproductie 
van enkele acten verleende. Inzonderheid denk ik daarbij aan den voor- 
zitter. Ds. G. Mansvelt en den archivaris, den heer M. Wiegand. Ook 
het Classicaal Bestuur van Amsterdam blijf ik voor zijne bereid- 
vaardigheid ten zeerste verplicht. 

Op het Oud-Archief in de St, Anthonis-poort te Amsterdam, bracht ik 
menig uur door; hier heeft de archivaris Mr. W, R. Veder mij niet 
alleen met raad en daad bijgestaan, maar zich zelfs voor mijn werk 



VI 

persoonlijk willen interesseeren. Ook tot het Notarieel- Archief te Amster- 
dam, kreeg ik door de vriendelijke zorg van notaris J. J. H. Verloop, 
onder geleide van zijnen klerk, den zoo gewenschten toegang. 

Verder sta hier de betuiging van hartelijken dank aan den heer 
A. J. C. VAN Seters te 's-Gravenhage, die wederom bereid was met mij 
voor de correctie der drukproeven te zorgen ; aan den heer A. W. Byvanck, 
voor de collatie van het gedeelte van David Pietersz. de Vries' reis- 
journaal, door mij in dit geschrift uitgegeven ; aan den heer P. J. Kapteyn, 
eersten klerk van het Oud- Archief te Amsterdam, in wien ik een beambte 
van uitgebreide kennis en hoogstaand karakter heb aangetroffen ; en aan 
den heer F. H. Borreman, koster der Nieuwe Kerk te Amsterdam, wiens 
bekende hulpvaardigheid ook door mij niet genoeg kan worden geroemd. 
De beambten der Amsterdamsche-, Koninklijke-, Leidsche- en Utrechtsche- 
Bibliotheek hebben mij, in ieder opzicht onschatbare diensten bewezen. 

Ten slotte dank ik mijnen hooggeschatten leermeester Prof. Dr. F. Pijper 
te Leiden, bij wien ik steeds een open deur en een open hart mocht 
vinden. Ik ben verzekerd, dat het verschijnen van dit boekske ook hem 
tot eene bijzondere vreugde is. 

Mogen dan deze bladzijden bevorderlijk zijn aan de verbreiding van 
kennis over de gewesten van Nieuw-Nederland, waarvan de zeevaarder 
Henry Hudson reeds getuigde : „'t Is het schoonste landt om te bouwen, 
als ick oyt mijn leven met voeten betradt" ^). 



i) Aanhaling van Hudson's woorden bij : J. de Laet, Nieuwe Wereldt, ofte Beschrijoinghe 
van West-Indien, Lcyden 1625, Boeck III, Cap. X, Blz. 107. 



INHOUD. 

Bladz. 

Een Woord Vooraf v 

Hoofdstuk I. 

Inleiding i 

Hoofdstuk II. 

De kerkeraad van Amsterdam in zijne verhouding tot 
de Oost-Indische, maar inzonderheid tot de West-Indische 
Compagnie 8 

Hoofdstuk III. 

Bastiaen Jansz. Krol als krankenbezoeker 25 

Hoofdstuk IV. 

Bastiaen Jansz. Krol als kommies van het Fort Oranje . 35 

Hoofdstuk V. 

Bastiaen Jansz. Krol als kommandeur van Nieuw-Neder- 
land. Zijne verdere lotgevallen 42 

Bij het Kaartje van Nieuw-Nederland 59 

Bijlagen i 

Register xxxiii 

Facsimiles. 



HOOFDSTUK I. 



Inleiding. 



De stichting van de Nederlandsche Hervormde Kerk, oudtijds 
de Nederduytsche Gereformeerde Kerk, in Nieuw-Nederland, 
inzonderheid in dat gedeelte van Noord-Amerika, waar de baker- 
mat onzer West-Indische bezittingen was gelegen, nl. in het hedert- 
daagsche New- York, is nog voor het oog der historische wetenschap 
in nevelen gehuld. De reden hiervan ligt ten deele in het feit, dat 
men eerst sedert enkele tientallen van jaren, en dan nog alléén in 
Noord-Amerika, dezen tak van onze koloniale geschiedenis ernstig 
is gaan beoefenen. De schaarschheid der betrouwbare berichten, 
waaruit die vestiging kan gekend worden, mag echter als hoofd- 
oorzaak worden aangemerkt. Op belangstelling, zoowel in Neder- 
land als Noord-Amerika, kan de historicus dus rekenen, wanneer 
hij door nieuwe vondsten in de eeuwen-oude archief-stukken, in 
staat wordt gesteld het duister op te klaren. 

De bijzondere beteekenis van deze biografie moge dan ook zijn, 
dat zij sober en gedocumenteerd nieuwe feiten over den aanvang 
van het kerkelijk en koloniaal leven in Nieuw-Nederland aan het 
licht brengt, het reeds ten deele bekende daarenboven aanvult, in 
één woord zaken behandelt, waarvan men tot op dezen dag ook 
in Amerika zelf geen kennis draagt. 

Nieuw-Nederland was tot de verovering door Engeland in 1664 
de naam voor die gewesten, die zich van kaap Cod in het Noord- 
Oosten, tot de Zuid-Rivier in het Zuiden uitstrekten. De „groote 
Riviere van Nieu-Nederlandt", waar reeds in 1616 de Niagara- 
watervallen als „de groote afval" bekend stonden, vormde de 
Noordelijke grens. De Atlantische Oceaan bespoelde het land ten 
Oosten, terwijl de Westelijke grenzen vaag en zoo goed als onbekend 
waren. Nieuw-Nederland lag zoo ongeveer tusschen 38° en 42° 
Noorder-breedte. Behalve de Zuid-Rivier, die het land begrensde, 



doorsneden nog twee groote rivieren dit gebied: de Noord- 
Rivier en de Versche Rivier. Het was deze Noord-Rivier, 
die in 1609 het scheepke „de halve Maen" met Henry Hud- 
son als schipper op hare kalme, voor scheepvaart zoo geschikte 
wateren, had gedragen. Na 1664 werd zij tot zijn eer „Hudson- 
River" genoemd ^). De eerste kolonisten hadden haar vereerd 
met den naam van den Prins van Oranje „Mauritius". Ook wel 
vinden wij haar aangegeven als „Montaigne-Rivier", naar haren 
oorsprong in de Adirondanck-Mountains 2). De oevers van deze 



i) De oudste tot dusverre bekende kaart van Nieuw-Nederland is die, welke door de 
„Bewindhebbers van Nieuw-Nederlandt" aan de Staten-Generaal, i8 Augustus 1616, werd 
aangeboden met verzoek om octrooi, volgens het „placaat" van 27 Maart 1614. Zij berust 
op het Rijks-Archief te 's-Gravenhage. Een facsimile ervan is te vinden in: E. B. O'Callaghan, 
History of lüew-Netherland, New-York 1855, tegenover den titel van vol. I. Eene be- 
schrijving eveneens bij : John Romeyn Brodhead, Wstory of the State of Nem-York, New-York 
1853, First period 1609 — 1664, p. 60, 61 en 755. Vergelijk verder over de kaarten van Nieuw- 
Nederland: G. M. Asher, A bibliorjraphical and hintorical essay on Dutch books and 

pamphlets relating to New-Net herland as also on the maps, charts etc. of New- 

Nethei'land, Amsterdam 1854 — 1867, Supplement p. 7 — 22. Deze beschrijving geldt hoofd- 
zakelijk de kaarten uit de zeer belangrijke collectie van wijlen I. C. Bodel Nijenhuis, welke 
thans bewaard wordt op de Universiteits-Bibliotheek te Leiden. Eene kaart, die aan Asher 
niet bekend was, werd eenigen tijd geleden door Dr. J. de Hullu op het Rijks-Archief 
in den Haag gevonden in een handschrift, dat behoord had aan Arend van Bucheü, den 
bekenden geleerde, wiens „Diarium" door Dr. G. Brom en Dr. L. A. van Langeraad is 
uitgegeven in Dl. XXI van de 3e serie van de „ Werken van het Utrechtsch Sistorisch 
genootschap''' (1907). Arend van Buchell (Arnoldus Buchelius) die in 1641 stierf, was van 
1621 — 1630 aandeelhouder in de W. I. Compagnie. Genoemde kaart nu, draagt het volgende 
opschrift: „lek hebbe gesien in seecker boeck byde hant van een die het commando in 
Nieu Neerlant ofte Hollant gehadt hadde de baye vant lant aldaer de onse eenige coloniea 
gebout hebben, aldus: siet s. (?)". Een facsimile met beschrijving dezer kaart komt voor in: 
J. Franklin Jameson, Narratives of I^ew-Net herland (1609 — 1664), New-York 1909, tegenover 
den titel en p. VI. J. H. Innes bespreekt haar in eene inleiding van dit boek ; hij is van 
meening, dat zij vervaardigd is in Nederland tusschen de jaren 1630 en 1634 en waar- 
schijnlijk van de hand van Pieter Minuit of Sebastiaen Jansen Krol. Hij geeft echter, om 
eenige Duitsche woorden in de plaatsnamen, de voorkeur aan den eerste, boven den laatste. 

2) Johannes de Laet gaf in 1625 bij Isaack Elzevier te Leiden uit: Niewive Wereldt^ 
ofte, Beschrijvinqhe van West-Indien, uut veelerhande Schriften ende Aenteekeningen van 
verscheyden natiën hy een versamelt. In 1630 verscheen daarvan een tweede vermeerderde 
druk. In 1633 werd dit werk in het Latijn, in 1640 in het Fransch vertaald. Het bevat 
16 boeken, waarvan het derde boek, Cap. 7 — 11 (blz. 100 — 109), tweede druk, over Nieuw- 
Nederland handelt. Hij beschrijft op blz. 100 de grenzen als volgt: „Van hier voorts 
(nl. van ,Cap Cod') heeft het vaste landt ghelijck een groote in-wijck ofte bocht, welck 
by naer Oost ende West streckt tot aen een groote rieviere, van waer de kuste dan 
weder zuydt west ofte daer ontrent streckt tot het eynde van Florida toe : dese kuste 
streckende als voren, met eenighe eylanden ende twee seer groote rievieren, van welcke 
de zuydtlijckste gheleghen is op de acht-en-dertich graden ende in de vijftich minuten, ende 
de noordelijckste op veertich graden ende een half, ende seer verre naer 't noorden te 
landt-waert is in-loopende. Dit quartier van West-Indien (segghe ick) noemen de onse 
Nieuw-Nederlandt, door dien't selve op de kosten van onse Nederlanders eerst naerder is 
ontdeckt, ende eenighe jaren achter den anderen bevaren, ende met een fortjen ende- 



rivier werden door Indianen-stammen bewoond, met wie lang- 
zamerhand een handel, voornamelijk in beverhuiden, ontstond, die 
in 1621 aanleiding gaf tot opneming van Nieuw-Nederland in het 
octrooi der West-Indische Compagnie. Bij de monding van deze 
Noord-Rivier lag het eiland Manhattan ^), waarop Nieuw-Amsterdam 
werd gesticht; in het Noorden, dichtbij de tegenwoordige stad 
Albany (N. Y.) werd eerst het fort Nassau en toen dit verlaten was, 
het fort Oranje gebouwd. In de onmiddellijke nabijheid van het 
fort Oranje verrees de kolonie van Kiliaen van Rensselaer, den 
Amsterdamschen groothandelaar, die zijne stichting „Rensselaers- 
wijck" noemde. In het vervolg zullen wij nader met deze oorden 
kennis maken, daar Bastiaen Jansz. Krol krankenbezoeker op het 
eiland Manhattan, kommies op het fort Oranje, vertegenwoordiger 
van Kiliaen van Rensselaer in Rensselaerswijck en eindelijk kom- 
mandeur of directeur-generaal van Nieuw-Nederland, is geweest. 

Het heeft twee eeuwen geduurd voor er in Amerika belang- 
stelling begon te ontwaken voor de historie van eigen land 2). 
Alle krachten waren besteed aan de bewoonbaar-making der 
nieuwe wereld ; tijd om over het verleden na te denken was er niet, 
de geschiedenis werd nog gemaakt en niet geschreven. In 1 804 kwam 
er verandering, toen de „New- York Historical Society" werd opge- 
richt, wier streven het was „te verzamelen en te bewaren al wat 
betrekking had op de natuurkundige, staatkundige en kerkelijke ge- 
schiedenis van de Vereenigde Staten in het algemeen en den staat 
New- York in het bijzonder". Dit genootschap drong er bij de regee- 
ring op aan, dat een kundig man zou worden uitgezonden om de 
archieven in Europa te onderzoeken. Het duurde nog bijna 40 jaar 
voor deze wensch vervuld werd. Op den eersten Mei 1841 reisde 
John Romeyn Brodhead naar Europa, met eene regeerings-opdracht 
om in Nederland, Engeland en Frankrijk een onderzoek in te stellen. 

woon-plaetse van de Nederlanders voor-sien, met speciael octroye ende onder de atitho- 
riteyt van de Ho. Mog. Heeren Staten Generael van dese vereenighde Provinciën". De 
Latijnsche en Fransche uitgaven beschrijven Nieuw-Nederland als zich uitstrekkende van 
38° 30' tot 44°. Eene kaart van „Nova Anglia, Novum Belgium et Virginia" bevindt zich 
in den tweeden druk (1630) na blz. 88. — De Zuid-Rivier, Noord-Rivier en Versche Rivier 
dragen tegenwoordig respectievelijk den naam van: Delaware-River, Hudson-River en 
Connecticut-River. 

i) De naam van dit eiland wordt zeer verschillend geschreven. Men vindt: Manhattan, 
Manhattans, Manhates, Manhattes, Manahathan enz. Het ontleent dien naam waarschijnlijk 
aan een Indianen-stam, die het oudtijds bewoonde. 

2) In ons land verscheen in 1818 van de hand van Mr. N. C. Lambrechtsen van 
Ritthem eene ^Korte beschryviny van de ontdekking en der verdere lotgevalleti van Nieuw- 
Nederland, Middelburg. Dit boekje telt 102 bladzijden. Het is natuurlijk zeer verouderd, maar 
nog belangrijk om enkele berichten, geput uit documenten, die sinds zijn verloren gegaan. 



Tegelijkertijd werd hem door Dr. Thomas de Witt, een der predikanten 
van New-York, namens de kerk verzocht, in Nederland de kerke- 
lijke archieven, inzonderheid van de Classis van Amsterdam, te 
onderzoeken, aangezien men met reden vermoedde, dat hier veel 
materiaal zou te vinden zijn. Brodhead keerde in 1844 naar Amerika 
terug en bracht 12 Februari 1845 verslag uit van zijne reis. De oogst 
was groot geweest. Tot 1 849 bleef dit kostelijk materiaal onuitgegeven 
liggen. In dit jaar werd door den staat van New-York besloten 
E. B. O' Callaghan aan te stellen om de Hollandsche en Fransche 
documenten in het Engelsch te vertalen. Het zou eene publicatie 
worden in tien deelen. De beide eersten zouden de Hollandsche, deel 
3 — 8 de Londensche en 9 — 10 de Fransche documenten bevatten. 

In 1856 zag het eerste deel der „Holland Documents" het licht 
onder den titel: „Documents relative tothe Colonial Historyofthe 
State of New-York, procured in Holland, England and France, by 
John Romeyn Brodhead, Esq., . . . edited by E. B. O'Callaghan, with a 
general introduction by the agent". Reeds had J. Romeyn Brodhead 
met de verworven transscripten tot grondslag, in 1853 het eerste deel 
van zijne: „History of the State of New-York, 1609 — 1664", uitge- 
geven; in 1871 verscheen van dit werk het tweede deel, handelend 
over het tijdvak 1664 — 1691. Het materiaal, dat in Amerika zelf ge- 
vonden was, begon E. B. O'Callaghan in 1849 te publiceeren, onder 
den titel: „The documentary history of the State of New-York" ^). 

Zoo was dus de uitgave der staatspapieren verzekerd, maar hoe 
stond het met de kerkelijke documenten ? Ook hierover een enkel 
woord. In het Classicaal Archief van Amsterdam liet Brodhead in 1841 
in de eerste plaats voor zich afschriften maken uit de acta der „depu- 
tati ad res Indicas", die echter slechts oppervlakkig werden door- 
gebladerd ; vervolgens kreeg hij 7 bundels correspondentie-brieven, 
die in de 17'^^ en i S^e eeuw tusschen de predikanten in Noord-Amerika 
en de Classis van Amsterdam waren gewisseld, in bruikleen, welke op 
dringend verzoek in 1 846 in het bezit kwamen der Generale Synode der 
„ReformedChurch" in Amerika en in New-Brunswick (N. J.), nog tot 
op dezen dag bewaard worden. Studenten van Hollandsche afkomst 
in het Seminarie der „Reformed Church in America", gevestigd te 
New-Brunswick (N. J.), zetten zich aanstonds aan het vertalen. Deze 
arbeid was echter gemakkelijker begonnen, dan ten einde gebracht ; 
de vertaling werd gestaakt, het materiaal bleef onuitgegeven, doch 
werd menigmaal geraadpleegd. 

i) E. B. O'Callaghan, Tke documentary histori/ of the State of New-York, arranged 
under direction of the Hon. Christopher Morgan, Secretary of State, Albany 1849, in 4 volumes. 



In 1885 bracht R. Randall Hoes, „a chaplain in the Navy", een 
bezoek aan ons land. Hij verkreeg toegang tot het Classicaal Archief 
van Amsterdam, bekeek den inhoud nauwkeuriger en kwam al 
spoedig tot de conclusie, dat Brodhead slechts een gedeelte van het 
materiaal had ontdekt. Eenige bundels brieven had hij over het hoofd 
gezien. Hoes verzocht ook deze in bruikleen naar Amerika te mogen 
medenemen ; dit werd hem echter niet toegestaan. Hij keerde naar 
Noord-Amerika terug en bracht van zijne bevindingen verslag uit. 

Twee jaar later werd aan Dr. E. T. Corwin, een Amerikaansche 
geleerde, opgedragen genoemd archief nog eens te doorzoeken. 
Dit voorloopig onderzoek gaf, na veel vergaderen en beraadslagen, 
eindelijk in 1897 aanleiding tot het uitzenden van Dr. Corwin, die 
opdracht kreeg het aanwezige materiaal in transscript te brengen. 
Negen maanden was hij hiermede bezig. Bij deze gelegenheid 
deed hij ook nasporingen in het archief van de Synode der Ned. 
Herv, Kerk te 's-Gravenhage, en elders. Deze resultaten, gecom- 
bineerd met hetgeen door Brodhead reeds was bijeengebracht, werden 
in het Engelsch vertaald en in 1901 door den staat van New-York 
onder den titel: „Ecclesiastical Records" ^) uitgegeven. De reis 
alsmede de publicatie van deze zes deelen, die de jaren 1621 
tot 18 10 omvatten, kostten ongeveer 5000 dollars. De ijver aan 
dezen arbeid besteed, dient in de hoogste mate te worden geroemd, 
maar één ding smart den Nederlandschen historicus, namelijk, dat 
deze bescheiden alle, op enkele uitzonderingen na, in het Engelsch 
vertaald en niet „in originali" zijn uitgegeven. Eene reis naar 
Noord-Amerika was dus noodig, wilde men de oorspronkelijke 
documenten leeren kennen, die in 1846 aan de Synode der „Refor- 
med Church in America" waren afgestaan. 

Ik heb, door de Curatoren van de Leidsche Hoogeschool daartoe 
in staat gesteld, in den zomer van het jaar 1909 eene wetenschappe- 
lijke studiereis door de Vereenigde Staten gemaakt, die ongeveer 
6 maanden geduurd heeft. Met de grootste bereidwilligheid werd 
ik overal ontvangen. Onder de velen, die mijn arbeid in Noord- 
Amerika hebben bevorderd, noem ik in de eerste plaats Dr. Corwin 



i) Ten opzichte van den vóór-arbeid dezer publicatie, alsmede van de werkzaamheid van 
Brodhead, Hoes en Corwin vergelijke men : E. T. Corwin, The Amsterdam Correspondence, 
The Knickerbocker Press, 1897. (Reprinted from the Papers of the American Society of 
Church History, 1897). — E. T. Corwin, JEcclesiastkal Records, State of New-York, 
Published by the State under the supervision of Hugh .Hastings, State Historian, Albany 
1901 — 1905, Vol. I. Introduction p. i — 31. — E. T. Corwin, Recent Researches in Holland 
and the JEcclesiastkal Records of the State of Nem-Yorh, Red Diamond Press 1908, 
(Reprinted from the Papers of the American Society of Church History, 1908). 



zelf. Door de bemiddeling van dezen onbaatzuchtigen geleerde, 
kreeg ik tot de kerkelijke archieven vrijen toegang. Alles wat mij 
daarin belangrijk voorkwam, inzonderheid de manuscripten van vóór 
1664, heb ik doorgezien; vele der brieven en acten copieerde ik 
geheel, van andere alleen de beteekenis-volle momenten. 

De gegevens uit het Classicaal- en Provinciaal-Archief te Am- 
sterdam, heb ik ook al voor een groot deel in copie verzameld, 
zoodat de grondslagen voor een geschiedwerk over het gods- 
dienstig en kerkelijk leven in Nieuw-Nederland, vóór het jaar 
1664, reeds zijn gelegd. In dit boek, dat ik over eenigen tijd in 
het licht hoop te geven, zal een groot aantal dier oorspronkelijke 
documenten als bijlagen en bewijs-stukken worden geplaatst. Het 
wordt dringend tijd, dat eens zoo volledig mogelijk in het licht 
worde gesteld, hoe de Nederlandsche Hervormde Kerk, die tot 1664 
het eenig wettig-erkende kerkgenootschap in Nieuw-Nederland was, 
en die tot het jaar 18 10 ten opzichte van de „Reformed Church 
in America" de verhouding van moeder en dochter bleef bewaren, 
ook al werd de band in den loop der eeuwen losser, hare roeping 
in deze gewesten heeft vervuld. 

De levensgeschiedenis van Bastiaen Jansz. Krol, die in de volgende 
bladzijden wordt beschreven, was in hoofdzaak eerst als onderdeel 
van het hierboven aangeduide grootere werk bestemd; doch de 
nieuwe gegevens, geput uit eene bron, die noch door Brodhead, noch 
door Corwin was gebruikt, schenen mij toe voor de beoefenaars 
der historie in het algemeen, voor de historici in Amerika in het 
bijzonder, maar vooral voor de beide volkeren, die zoo nauv/ door 
traditie- en historie-banden aan elkander zijn verbonden, van zulk 
eene beteekenis te zijn, dat ik besloot hen afzonderlijk in het licht 
te geven. De geschiedbronnen waarop ik zinspeelde, zijn: „de 
Protocollen van den Kerkeraad van Amsterdam''. Deze berusten 
thans in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Zij gaan terug tot den 
24e" Mei 1578 en zijn zonder lacune tot op dezen tijd bijgehouden. 

Men meende vroeger, en in Noord-Amerika is die gedachte nóg de 
gangbare, dat de zorg voor de kerkelijke belangen der Oost- en 
West-Indische bezittingen, van den aanvang af, bij de Classis van 
Amsterdam berustte. Dit weten wij thans echter beter. Het was 
de kerkeraad van Amsterdam, die van de Classis opdracht kreeg 
de krankenbezoekers en ziekentroosters aan te stellen en uit te 
zenden; al werden proponenten en predikanten door de Classis 
geëxamineerd, de bevestiging en afvaardiging ging ook dan niet 
buiten den kerkeraad om. Deze toestand duurde tot het jaar 1636; 



toen nam de Classis de kerkelijke zorg voor de buitenlandsche 
bezittingen in handen. Het is dus niet te verwonderen, dat ik in 
de protocollen van den kerkeraad van Amsterdam nieuwe ont- 
dekkingen heb gedaan o.a. betreffende Bastiaen Jansz. Krol, den 
eersten krankenbezoeker van Nieuw-Nederland. Bovendien ver- 
schaffen deze notulen ook nog licht over het leven der twee eerste 
predikanten van Nieuw-Nederland, Jonas Michaëlius en Everhardus 
Bogardus. Wij willen nu het leven en de werkzaamheden van 
Bastiaen Jansz. Krol, naar hetgeen ons thans van hem bekend 
is, schetsen; vooraf echter zullen wij de verhouding van den 
Amsterdamschen kerkeraad tot de Oost- en West-Indische Com- 
pagnie en zijnen arbeid met betrekking tot de buitenlandsche 
bezittingen, in hoofdtrekken teekenen. 



HOOFDSTUK II. 

De kerkeraad van Amsterdam, in zijne verhouding 
TOT DE Oost-Indische, maar inzonderheid tot de West- 
Indische Compagnie. 

De Oost-Indische Compagnie werd in 1602 gesticht als eene 
organisatie, die in de plaats trad van particuliere handelsonder- 
nemingen. Reeds vóór het jaar van hare stichting was de hulp van den 
kerkeraad van Amsterdam ingeroepen bij het aanstellen van gods- 
dienstleeraars op de schepen. De predikant, die Bijbel en kompas 
bestudeerde, de bekende Petrus Plancius van Amsterdam, verscheen 
5 Maart 1598 in de vergadering van den kerkeraad dier stad en 
diende aan : „hoe dat de reeders van de scheepen welcke naer Oost- 
Indien sullen varen hem hebben verclaert, hoe dat se van de 
heeren burgemeesteren versocht ende oock verkregen hebben, datter 
eenghe van de studenten die op des stadts kosten gestudeert 
hebben (ende daertoe souden moghen gewillich sijn) met deselve 
schepen naer Oost Indien souden varen, om Godes Woordt tusschen 
weghen ende aldaer te lande te vercondighen". Drie personen Johannes 
Altenhovius, Johannes Silvinus (sic) en Jacobus Bruno waren daartoe 
„genomineert". Het verzoek van de reeders door D. Plancius voor den 
Amsterdamschen kerkeraad gebracht hield in, om deze personen 
„daertoe te vermanen ende te beweghen". De kerkeraad besloot, 
dat genoemde mannen door D. Plancius en D. Halsbergius zouden 
worden „aengesproken" ^). Het aandeel van den kerkeraad in deze 
zaak was dus gering; het initiatief ging van de reeders uit. De 
onderhandehngen met deze drie mannen blijken te zijn afgesprongen. 



i) Bijlage N°. 2. (5 Maart 1598). — Eenige der protocollen van den kerkeraad van 
Amsterdam zijn reeds uitgegeven bij : C. W. Th. van Boetzelaer van Dubbeldam, De 
Gereformeerde kerken i/i I^ederland en de zending in Oost-Indië in de dagen der Oost-Indische 
Compagnie, Utr. 1906, bijl. B. Die in de bijlagen van dit geschrift zijn opgenomen, zijn 
allen naar het origineele handschrift door mij volgens de letterlijke spelling gecopiëerd; 
de bijlagen achter de bovengenoemde dissertatie van Van Boetzelaer zijn niet altijd 
nauwkeurig. 



Op de tweede vloot gingen als krankenbezoekers mede Philips 
Pietersz. en Jacob Mattheus. De laatste was 1599 in het vaderland 
teruggekeerd en moest voor de Classis verschijnen, omdat hij hoe- 
wel onbevoegd den doop had bediend. Hij was ouderling te Sloten 
geweest en dus niet „geautoriseerd om te mogen doopen, die onge- 
doopt waren", doch 21 November 1599 kreeg hij van de Classis 
het recht op de schepen deze plechtige handeling te verrichten, „so 
sulcks magh ordentelijck ende stichtelijck geschieden ende also tegen- 
woordich niemandt int predickampt sijnde, daertoe is te becomen 
ende oock niemandt van meerder kennisse daertoe kan bewillight 
worden" ^). Een dergelijk geval had plaats met den krankenbezoeker 
Philips Pietersz. Ook hij had doop en avondmaal bediend. Toen hij 
nu weder voor de tweede maal naar Oost-Indië zou uitvaren, werd 
hem door „den kerkenraet deser stede Amstelredam uyt laste haeres 
Classis", den I3den April 1601 als krankenbezoeker „ende die tvolck 
uyt Godes Woort somtijts eenige vermaningen soude mogen doen", 
eene instructie medegegeven. Deze instructie, waarbij eveneens 
bevoegdheid tot doopen werd verleend, is de eerste ons bekend. Van 
Boetzelaer van Dubbeldam, die in zijne bekende dissertatie: „De 
Gereformeerde Kerken in Nederland en de zending in Oost-Indië 
in de dagen der Oost-Indische Compagnie, Utr. 1906", breedvoerig 
over de verhouding van kerkeraad en Classis van Amsterdam tot de 
Oost-Indische Compagnie handelt, schijnt haar bestaan niet te kennen, 
tenminste nergens vinden wij hierop in zijn geschrift eenige zinspeling. 
De genoemde instructie komt voor in een handschrift, dat thans in 
het Classicaal Archief van Amsterdam berust en getiteld is: „Copieboek 
1589 — 1635" 2^. Dit copie-boek schijnt mij toe niet het copie-boek 
der Classis, maar van den kerkeraad te zijn geweest ; alléén 
handelingen van, of door middel van den kerkeraad, komen er in 
voor 3) .Uit deze historie-bron blijkt, dat de band tusschen den kerke- 
raad en de Classis in 1601 hechter was, dan door Van Boetzelaer wordt 



i) Acta classis Amstelodamensis I, fol. 131. — Zie bij : C. W. Th. van Boetzelaer van 
Dubbeldam, De Gereformeerde Kerken, enz., Utr. 1906, bijl.' A, 

2) Dit handschrift is, gelijk nader blijken zal, ook voor de geschiedenis van Amerika 
van het grootste belang. Dr. E. T. Corwin schrijft er over in de: Ecdesiastlcal Records, 
Vol. I, p. 21: „there was once another volume, still earlier than 39 (copieboek 1636 — 1648), 
ending in 1635, according to the ,inventory' (or catalogue), but which is damaged to such 
an extent as to be useless". Dit laatste is echter wel wat te veel gezegd ; met geduld en 
eenige palaeografische bedrevenheid zijn vele bladzijden te ontcijferen. Ik heb den inhoud 
van dit H.S. als bijlage i. opgenomen, terwijl ik daarbij datgene, wat van belang voor mijn 
onderwerp was, voluit heb weergegeven. 

3) J. A. Grothe, Archief voor de (jeschiedenis der oude Uollandsche zending, Utr. 1890, 
Dl. V, blz. 12, citeert het ook als: „Kopieboek Kerkeraad, Archief Classis Amsterdam" 



lO 

voorgesteld ; de kerkeraad handelde steeds „uyt last van de Classis". 
Op denzelfden dag, waarop Philips Pietersz. zijne instructie 
ontving, kreeg Barent Jansz. de zijne, echter zonder bevoegd- 
heid tot doopen ^). De last-brief aan Philips Pietersz, uitgereikt 
schreef hem voor, op de reis het volk uit Gods Woord voor 
te lezen en eenige „vermaningen te doen". Hij ging uit in 
de qualiteit van „vermaner". Des morgens en des avonds moest 
hij „de gemeene gebeden" lezen, eveneens voor en na den eten. 
Hij moest, daartoe verzocht zijnde, al de kranken „binnen sijn 
scheepsboort ende daert hem anders gelegen sal sijn", vlijtig 
onderwijzen en vertroosten, verder met Gods Woord „int particulier" 
vermanen allen, die dergelijke vermaningen begeerden of van noode 
hadden. Dan moest hij „te gelegender tijt uyt Gods Woort eenige 
vermaninge doen tot onderwysinge, berispinge ende bestraffinge 
van den volcke". Indien iemand in zijn jeugd niet gedoopt was 
„ende door onderwysinge in sijn harte geslagen sijnde ende 
oogenschijnlycke beteringe sijns levens betonende", den H. Doop 
begeerde en beloofde voortaan als een oprecht Christen te leven, 
dan mocht hij „in dien gevalle" zulk een persoon in eene wettige 
vergadering, na zich overtuigd te hebben, dat hij niet reeds gedoopt 
was doopen, na vooraf hem te hebben onderhouden over den 
inhoud en het recht gebruik van den H. Doop. Den naam van den 
gedoopte moest hij opschrijven, om dien aan den kerkeraad van 
zijn woonplaats aan den vasten wal, bij terugkeer in het vaderland, 
bekend te maken. Deze instructie werd door eenigen uit den 
kerkeraad onderteekend en van het zegel des kerkeraads voorzien 2). 
Philips Pietersz. zeilde uit op de vloot van Jacob van Heemskerk 
den 23^" April 1601 en keerde in 1604 weder terug 3). In het 
protocol van 4 April 1602 werd door de Classis aan den kerkeraad 
van Amsterdam last gegeven, dat deze „soude aenspreken de 
kranckenbesoekers, die voor deesen op de schepen van Oost Indien 
hebben gevaren ende nu wederom derwaerts sullen gaen, omme 
uut haer te verstaen, hoet haer op de reyse is gegaen ende of sy haer, 
volgende commissie ende haere instrucsie wel hebben gequeten" 4). 

i) Bijlage N". i. (13 April 1601). 

2) Bijlage N°. i. (13 April 1601). 

3) Zie over dezen persoon : Van Boetzelaer, De Gereformeerde Kerken enz., blz. 23 ; 
C. A. L. van Troostenburg de Bruyn, De Hervormde Kerk in Nederlandsch Oost-Indtó 
onder de Oost-Indische Compagnie (1602 — 1795), Arnh. 1884, blz. 5, 6, 7, 86, 353, 360. — 
Vergelijk: Protocollen van den Kerkeraad van Amsterdam, III fol. 113'' (15 Juli 1604). 

4I Bijlage N°. 3. (4 April 1602). — Zie bij : F. L. Rutgers, I£et kerkverband der Neder- 
landsche Oerefortneerde Kerken, geUjk dat gekend wordt uit de handelingen van dex 
Amsterdamsehen Kerkeraad in den aanvang der 17c eeuw, Amst. 1882, bijlage J. 



II 

Aldus luidde het besluit van de Classis. De kerkeraad schijnt 
dit echter in de breedste en meest ruime beteekenis te hebben 
opgevat; hij geeft dan ook voortaan den ziekentroosters, die naar 
Oost-Indië zullen varen hunne aanstelling. In het „Copieboek 1589 — 
1635" werden hunne namen geboekt. De kerkeraad was gemach- 
tigde van de Classis en als zoodanig bleef hij aan deze verantwoording 
schuldig. Een jaar later, 6 November 1603, werd aan D. Plancius en 
D. Helmichius opgedragen, dat zij : „alle cranckebesoeckers dewelcke 
de Companie van Oost Indien zouden moghen aennemen, zullen 
examineeren ende rapport aen den kerkenraet zullen doen, om alsdan 
by denzelfden daerin te handelen, sooals hun raetsaem zal duncken" ^). 

De personen, die als krankenbezoeker met de schepen wenschten 
mede te varen, hadden zich eerst bij de Bewindhebberen aan te 
melden ; bij gebleken geschiktheid werden zij voor examinatie en 
aanstelling naar den kerkeraad gezonden, die hen van instructie 
voorzag, waarna hun een plaats op de schepen door de Bewind- 
hebberen werd aangewezen. Zoodra er een vloot voor Indië gereed 
lag, werd in alle kerken van Amsterdam van den kansel een oproep 
voor krankenbezoekers gedaan, die zich in tijds moesten aan- 
melden, opdat zij dan bij de predikanten onderwijs zouden kunnen 
ontvangen 2). Meenden de aspirant-krankenbezoekers goed onder- 
legd te zijn, dan vervoegden zij zich bij den kerkeraad om te 
„proponeren", d. w. z. eene rede te houden over een van te voren 
opgegeven of vrijwillig gekozen tekst. Zoo moest Evert Tysson 
den 8en Maart 161 8 eene propositie doen over Johannes 17:3 
„en dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eenigen 
waarachtigen God, en Jezus Christus, dien gij gezonden hebt". 
Blijkbaar was hij niet zuiver in de leer of drukte hij zich 
niet omlijnd genoeg uit, want het werd goedgevonden hem nog 
eens te hooren, „end om te beter van hem te connen oordelen" 
werd hem Romeinen 8 : 28 als tekst opgegeven : „en wij weten, 
dat dengenen, die God liefhebben alle dingen medewerken ten 
goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn". 
Hij moest den praeses van den kerkeraad maar berichten, wanneer 
hij „veerdich" zou kunnen wezen. Na één heele week van studie is hij 
zich zijner „vaardigheid" bewust en houdt 15 Maart 1618 eene propo- 



i) Bijlage N°. 4. (6 November 1603). — Zie bij : F. L. Rutgers, Het kerkverband enz., 
Amst. 1882, bijlage J, 

2) Frotoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, III fol. 153» (16 Nov. 1606) ; III fol. 
222' (10 Nov. 1609) ; IV fol. 179 (22 Sept. 1616). — Zie bij : F. L. Rutgers, Set kerk- 
verband enz. Amst. 1882, bijl. J. 



12 

sitie, doch niet over het „cor ecclesiae", maar over een anderen 
tekst uit den Romeinen-brief. Er „is goetgevonden, dat men hem 
op de Oost-Indische reyse sal laten gebruycken voor siekentrooster, 
die binnen scheepsboort sal mogen vermaninge doen, end in val 
des noots den H. Doop sal mogen bedienen" ^). 

Het aanstaande ambt werd bij de propositie niet uit het oog ver- 
loren. Dierick Herbertsz. van Harderwijck moest 9 April 161 5 eene 
propositie doen „streckende tot vertroosting eens krancken". Er 
wordt bijgevoegd „die maer tamelijck den broederen aengestaen heeft". 
Omdat hij echter een goede getuigenis medebracht „end meerder 
hoope van hem geeft", werd goedgevonden hem tot het examen 
toe te laten 2). Jan Dierixsz. moest 10 November 1609 eene ver- 
maning doen „als voor een sieken staende". Ook die demonstratie 
schijnt zeer poover te zijn uitgevallen, want hem wordt de raad 
gegeven zich nog wat te oefenen. Bovendien mag hij met de predi- 
kanten en ziekentroosters van Amsterdam medegaan naar de zieken, 
„om te sien end horen, hoe men metten krancken na yeders 
gelegenheyt moet omgaen" 3). Was de propositie in orde bevonden, 
dan werden twee predikanten geordineerd den aspirant-kranken- 
bezoeker te examineeren. Het onderzoek liep over: „de voor- 
naemste articulen van de Christlycke religie"; ook wel over: „de 
fondamenten der Christlycke religie". Hierbij moest blijken, dat men 
„suyver in de leere end gelove end tamelijck wel ervaren in Gods 
Woort" was, en vrij van „d'onsuyvere leere der Remonstranten". Bij 
twijfel moest op eene volgende vergadering nader onderzoek worden 
ingesteld bijv. „int stuck van de zonde ende ellendicheyt des 
menschelycken geslacht es". Werden echter ketterijen beslist voor- 
gesteld, als „de algemeene genade end ander dwalingen van de 
Voorsienicheyt Gods", ook al werden deze geuit „om andere end 
hemselven te oeffenen", dan besloten de broederen zulk een persoon 
„voor dese reys verby te gaen" 4). Ook op het gedrag werd 
bijzonder gelet. Jan Janssen, die reeds als krankenbezoeker geordend 
was, werd ontzet, omdat men vernomen had, dat hij „hem altemet in 



i) Frotoc. V. d. Kerheraadv. Amsterdam^ IV fol. 274 (8 Maart 1618) ; IV fol. 277 (15 Maart 
1618). — Zie bij : F. L. Rutgers, Set kerkverband e/u., Amst. 1882. bijl. J. 

2) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, IV fol. 138 (9 April 1615). — Zie bij : F. L. 
Rutgers, Set kerkverband enz., Amst. 1882. bijl. J. 

3) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, III fol. 222' (10 Nov. 1609). — Zie bij : F. L. 
Rutgers, Set kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 

4) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Arasterdain, IV fol. 138 (14 en 16 April 1615), fol. 153 
5 Nov. 1615); III fol. 154' (12 Dec. 1606); IV fol. 154 (19 Nov. 1615). — Zie bij: F. L. 
Rutgers, Set kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 



13 

dronckenschap verloopt, end niet vredelijck met sijn huysfrow (sic) en 
leeft, tot grote ergernisse dergenen die hem naest geseten sijn" i). 

De kerkeraad had ook het recht om aan sommigen machtiging 
te geven den H. Doop te bedienen. Daarover lezen wij 14 April 
1605: „is mede goetgevonden, om redenen die tanderen ty de zijn 
gewichtich geoordeelt in onse classicale vergaderinge, dat men 
Wernerus Merwerijcks ende Coornelis (sic) Joostensz, sal macht 
geven om den heyligen Doop over het ongedoopte scheepsvolck 
ter noot te bedienen, mids die te vooren vanden verborgendheyden 
der heylige verbonteeckenen (sic) wel onderrechtende ende blyckende 
van haere boetveerdicheyt" ^). Ook tot het sluiten van een huwelijk 
verklaarde de kerkeraad enkele krankenbezoekers bevoegd 3), Tot 
het verkenen van al deze bevoegdheden was de kerkeraad ge- 
rechtigd. In 1604 wilde Wouter Rens, na zijn terugkeer in het 
vaderland, zich bij de Classis vervoegen, maar deze verwees hem 
naar het juiste adres, den kerkeraad 4). Waren de krankenbezoekers 
in propositie en examen voldoende bevonden, dan voorzag de 
kerkeraad hen van instructie. Twee predikanten, „recommandeerden" 
hen bij de Bewindhebberen der Oost-Indische Compagnie. Zij 
werden aangesteld voor vijf jaren. Soms traden de heeren van de 
Compagnie onrechtmatig op. Eens stelden zij „zonder kennisse 
ende verwillinghe des kerckenraets" twee ziekentroosters aan; op 
een anderen keer wilden zij personen zenden als ziekentroosters, 
die ongezond waren in de leer, „twistgierich end quereleux", en niet 
voorzien van zulke qualiteiten „die tot sodanigen gewichtigen sake 
nodich zijn". Dan besloot de kerkeraad „de sake met voorsich- 
ticheyt den Bewinthebberen te remonstreren". Wanneer de reis 
volbracht was, verschenen de ziekentroosters weder voor den ker- 
keraad met eene attestatie van den admiraal onder wien zij waren 
medegevaren, waarna de broederen hen welkom heetten en „van 
haeren goeden dienst bedanckten" S). 

Uit welke standen kwamen deze krankenbezoekers of zieken- 



i) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, IV fol. 69 (23 Mei 1613) — Zie bij : F. L. Rutgers, 
Het kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 

2) Bijlage N°. 5. (14 April 1605). — Zie bij : F. L. Rutgers, Eet kerkverband enz., 
Amst. 1882, bijl. J. 

3) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, IV fol. 255 (30 Nov. 1617). — Zie bij : 
V. L. Rutgers, Set kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 

4) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, IV fol. 117 (7 Oct. 1604). — Zie bij: F. L. Rutgers, 
Set kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 

5) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, III fol. 154' (30 Nov. 1606) ; III fol. 221^ (29 
Oct. 1609); in fol. 179 (22 Sept. 1616); — Zie bij: F. L. Rutgers, Set kerkverband enz., 
Amst. 1882, bijl. J. 



14 

troosters voort? Wij behoeven niet te aarzelen in ons antwoord. 
De eenvoudigste kringen der maatschappij leverden het grootste con- 
tingent. Kistenmakers, turfdragers, bakkers, schoenmakers, gewezen 
soldaten meldden zich voor deze betrekking aan. Merkwaardig is 
het, dat verreweg het grootste aantal kleermaker was. Wij 
vinden onder hen ook schoolmeesters, ja! zelfs een apotheker en 
gewezen joodsch rabbijn, doch het meerendeel hunner bestond uit 
ongeletterde personen ^). Wee den krankenbezoeker die zich den titel 
„predicant" liet aanleunen; zulk eene aanmatiging werd door den 
kerkeraad ten strengste gegispt. Hij had te bedenken, „dat hem de 
naeme alsulcx niet toecompt". 

De predikanten, die naar Indië voeren, gingen met uitgebreider 
bevoegdheid. De eerste die door den kerkeraad van Amsterdam, 
in dezen gevolmachtigd door de Classis, werd aangesteld, was 
Casparus Conradi Wiltens. Hij ontving 23 December 1610 zijne 
instructie 2). Bij de toelating en bevestiging van Adriaen Jacobsz. 
zien wij hoe de verhouding van kerkeraad en Classis was ten 
opzichte van de predikanten, die naar Oost-Indië werden gezonden. 
Adriaen Jacobsz. was schoolmeester in Landsmeer. Hij werd 2 April 
161 5 tot krankenbezoeker door den kerkeraad van Amsterdam 
toegelaten. Hiermede was hij niet tevreden ; hij wilde wel op reis 
gaan, maar dan „bequaem totten vollen dienst des predickampts". 
De broeders besluiten hem nog eens te ontbieden en met hem 
„in de hooftpointen der Christlycke religie wat breeders" te spreken. 
In de kerkeraadsvergadering van 14 April 161 5 wordt hierover rap- 
port uitgebracht, waarbij zijne bevordering tot predikant wordt 
gewenscht geacht. Nu eerst komt de Classis er bij te pas. De ver- 
gadering vindt goed „de naest gelegene broeders des Classis darop 
t'ontbieden end haer advys darop te horen". Twee dagen later, 16 April 
161 5, zijn de broederen van de Classis verschenen. Zij zijn content 
met het examen door den kerkeraad aan den schoolmeester van 
Landsmeer afgenomen, en zien van verder onderzoek af. Hij zal 
aan de Bewindhebberen tot predikant naar Oost-Indië „gepresenteert" 
worden. Driemaal moest zijn naam worden afgekondigd, den eerst- 



i) Een lijstje van „die nuttige lieden" is te vinden bij : C. A. L. van Troostenburg 
de Bruyn, J)e Hervormde kerk in JSfederlandsck Oost-Indië onder de Oost-Indische Compagnie 
(1602 — 179S), Arnhem 1884, blz. 336, 337. Men vergelijke ook: C. A. L. van Troostenburg 
de Bruyn, Krankhezoekers in Ned. Oost-Indië, in 1902 uitgegeven. 

2) Deze instructie is te vinden in : Copieboek 1589 — 1635. Zij is afgedrukt bij : J. A. Grothe, 
Archief voor de geschiedenis der oude Sollandsche zending^ Utr. 1890, Dl, V, (De Molukken 
1603 — 1624), blz. 10 — 12. Men vergelijke ook : C. A. L. van Troostenburg de Bruyn, Biogra- 
phisch Woordenboek van Oost-Indische Predikanten, Nijmegen 1898. 



15 

volgenden Zondag, dan Woensdag en verder den daarop volgenden 
Zondag-morgen. Dien zelfden Zondag van de laatste afkondiging 
zou hij dan des avonds in de Nieuwe kerk „solemnelijck bevesticht 
worden". Aldus is geschied ^). Bij het aanstellen van ziekentroosters 
vinden wij veelal de formule: „hy den kerckenraet deser stede, 
als van den Classe daertoe gelast, met consent ende approbatie 
van de E. Heeren Bewinthebberen van de üost Indische Compagnie" ; 
bij de aanstelling van predikanten: „hy den Classe ende kercken- 
raedt deser stede met goetvinden van de E. Heeren Bewinthebberen 
van de Oost Indische Compagnie". Bij het laatste staan Classis en 
kerkeraad meer op één lijn, terwijl in het eerste geval de kerkeraad 
handelt, maar op last van de Classis. 

Ook de correspondentie werd door de Classis aan den kerkeraad 
van Amsterdam opgedragen. Een brief van twee krankenbezoekers 
werd 7 Januari 1616 door den kerkeraad behandeld; eene missive 
van D. Hulsebos moest de kerkeraad „van des Classis weghen 
belast" beantwoorden 2). 

De werkzaamheden van den kerkeraad in zake de buitenlandsche 
gewesten, breidden zich uit. Ook over „het Westen" begon zijne zorg 
zich uit te strekken, inzonderheid „op de custe van Guinea". Het 
werd noodzakelijk dat eene vaste commissie zich met de Indische 
zaken zou gaan bemoeien. Op een schrijven van D. Faukelius van 
Zeeland besloot de kerkeraad, 25 Maart 1621, voortaan met de 
broederen in Zeeland, waar ook een kamer der Oost-Indische Com- 
pagnie was, correspondentie te houden. Bovendien, en dit besluit werd 
van groote beteekenis, achtte de kerkeraad het goed : „dat oock 
D. Lemerius (sic) ende D. Jacobus Rolandus met een ouderling de 
personen, die naer Oost Indien sullen varen sullen examineren, presen- 
teren ende waernemen al wat op d'Oostin(di)sche saecke voorvalt 
ende correspondentie sullen houden met de broederen van Zeelandt, 
twelck hy ordre jaerlijcx onder de broederen sal omgaen" 3). 
25 Maart 1621 mogen wij dus aanteekenen als de datum waarop 
de commissie der „deputati ad res Indicas" werd geïnstitueerd 
door — men lette hierop — den kerkeraad van Amsterdam 4). Een 



i) Protoc. V. d. Kerkeraad van Amsterdam^ IV fol. 136 (2 April 1615) ; IV fol. 137 
(9 April 1615); IV fol. 138 (14 April 1615) ; IV fol. 138 (16 April 1615); IV fol. 139 
(23 April 1615). — Zie bij : F. L. Rutgers, Het kerkverband enz., Amst., 1882, bijl. J. 

2) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, IV fol. 157 (7 Jan. 1616); IV fol. 252 (9 Nov. 
1617). — Zie bij: F. L. Rutgers, Het kerkverband enz., Amst. 1882, bijl. J. 

3) Bijlage N°. 7. (25 Maart 1621). — Zie bij : Van Boetzelaer, De Gereformeerde kerken 
enz., Utr. 1906, bijl. B. 

4) De voorstellingen hieromtrent zijn — en hoe kan het anders bij gebrek aan kennis 



i6 

jaar later, den j^en April 1622, werden Gaspar Heydanus en Lucas 
Ambrosius in hunne plaats aangesteld: „omme het examen der- 
genen te doen, welcke voor predicanten ende kranckbesoekers sullen 
gaen naer Oost Indien ende dieselvige by de Bewinthebbers voor 
te stellen ende waer te nemen meer andere saecken die desen 
dienst ende de correspondentie met die van Zeelant over dese saecke 
raecken" ^). Zij examineerden in hunne qualiteit 16 Maart 1623 
Lucas Beermans, Pieter Bonnisz. en Dirck Laurensz. tot het zieken- 
troosterschap, om met admiraal L'Hermite mede te gaan „op de 
onbekende reyse" 2). Het examen van Pieter Bonnisz. woog tegen 
dat van Dirck Laurensz. op, zij het dan ook dat de eerste beter 
„conde lesen ende de psalmen intoneren". Lucas Beermans was 
„suyver in de leere ende van meerder uyterlijck aensien", doch 
niet zoo ervaren als de beide anderen. Uit het geëxamineerde 
drietal werd Pieter Bonnisz. gekozen en Dirck Laurensz. „hope 
gegeven" voor de volgende schepen op Oost-Indië, mits hij zich 
oefende in het lezen en het intoneeren der psalmen 3). De com- 
missie werd aanvankelijk telkens voor één jaar benoemd ; doch opdat 
er altijd één der broederen zou zijn „die kennisse van saecken" 
hadde, werd 13 April 1623 door den kerkeraad bepaald, dat de 
broeders twee jaren in die commissie zouden blijven en dat er 
ieder jaar één hunner zou aftreden. D. Lucas Ambrosius bleef en 
D. Jacobus Triglandius werd in de plaats van D. Gaspar Heydanus 
benoemd 4). In eene missive van 14 December 1623 aan de kerk 
in Oost-Indië, in naam en uit last der Glassis opgemaakt, teekenen 
zij zich: „de Gedeputeerden desesjaers over de kerckelycke saecken 
in Oost Indien" s). 

De taak der commissie, 25 Maart 1621 ingesteld, werd nog 
omvangrijker, toen drie maanden later, den $'^^^ Juni 1621, door 
de Staten-Generaal octrooi werd verleend aan de West-Indische 



van de protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad — in Noord-Amerika nog vaag en 
onjuist. J. Franklin Jameson, Narratives of JSew -Het herland (1609— 1664), New-York 1909, 
schrijft p. 119: „from 1639, if not earlier, a committee of the classis, called ,deputatiad 
res exteras' was given charge of most of the details of correspondence with the Dutch 
Reformed churches in America, Africa, the East and foreign European countries". 

i) Bijlage N°. 8. (7 April 1622). — Zie bij : Van Boetzelaer, I>e Gereformeerde kerken 
enz.^ Utr. 1906, bijl. B. 

2) Admiraal Jacques L'Hermite deed in 1623 — 1626 een reis rondom de aarde. Vgl. 
P. A. Tiele, Nederlandsche Bibliografie van Land en Volkenkunde, Amst. 1884, blz. 149. 

3) Bijlage N°. 9. (16 Maart 1623). 

4) Bijlage N°. 10. (13 April 1623). — Zie bij : Van Boetzelaer, De Gereformeerde 
kerken enz., Utr. 1906, bijl. B. 

5) J. A. Grothe, Archief voor de geschiedenis der oude Sollandsche zending, Utr. 1890, 
Dl. V, (de Molukken, 1603 — 1624), blz. 192. 



17 

Compagnie. De regeering dezer Compagnie berustte bij vijf kameren 
van Bewindhebberen, één binnen Amsterdam „die sal hebben de 
administratie van vier negende parten", één in Zeeland, één „op 
de Maze", één in het Noorder-quartier en de vijfde in Friesland, 
terwijl „Stadt ende Landen" ook de administratie van één negende 
part zou hebben. De kamer van Amsterdam zou bestaan uit 20 Be- 
windhebbers, waarvan ieder in de Compagnie „voor sijn eygen sal 
participeren ter somme van 6000 guldens". De generale vergadering 
van genoemde vijf kameren, wij zouden zeggen het hoofdbestuur 
der West-Indische Compagnie, bestond uit 19 personen. Acht uit de 
kamer van Amsterdam, vier uit Zeeland, twee van de Maas, twee uit 
het Noorder-quartier, twee uit Friesland en Stad en Landen, benevens 
één gedeputeerde van de Staten-Generaal. De eerste zes jaar zou 
de generale vergadering te Amsterdam, twee jaar daarna in Zeeland 
en voorts van tijd tot tijd in Amsterdam en Zeeland worden 
gehouden. Naast het college van Bewindhebbers was er een van 
Hoofd-participanten, die mede voor hetzelfde bedrag bij de Com- 
pagnie moesten betrokken zijn. Zij waren niet in het dagelijksch 
bestuur, doch zonder hen, als gecommitteerden der aandeelhouders, 
konden geene besluiten van eenigszins ingrijpenden aard genomen 
worden. Bij de ampliatie van het octrooi, 13 Februari 1623, kregen 
zij het recht, de nominatie voor keuze van Bewindhebbers op te 
maken; den 2ien Juni 1623 het recht, mede in dat college zitting 
te nemen ^). Merkwaardig is, dat in deze plakkaten met gQen 
enkel woord over de geestelijke belangen der koloniën wordt gerept. 
Het verwondert ons dan ook niet, dat een gezantschap van den 
kerkeraad van Amsterdam den 27^0 juH 1623 naar de vergadering 
van XIX der West-Indische Compagnie wordt afgevaardigd, „om 
deselve te vermaenen, dat se de schepen, die se nae West Indien 
uutsenden, doen versien van predicanten ende sieckentroosters" ; 
tevens moesten deze afgevaardigden spreken over het „doen aen- 
stellen van een Seminarium van jonge studenten, opdat men altijdt 
bequame persoonen moge hebben". Dit verzoek werd niet gedaan 
door de commissie voor de Indische zaken bestaande uit D. Lucas 
Ambrosius en D. Triglandius, maar door D. Le Maire en een 



i) Het octrooi (3 Juni 1621) en de ampliatie's daarvan (10 Juni 1622, 13 Februari 1623, 
21 Juni 1623) zijn in pamflet-vorm verschenen. Zij zijn afgedrukt in: Groot Flacaet-Boeck, 
's-Grav. 1658, Dl. I, col. 565—578; col. 579— 582; col. 583— 586; col. 586— 590. —Deze zijn 
ook te 'vinden in de bladzijden voorafgaande aan de : Sistorie ofte Jaerlijck Verhael van de 
verrichting hen der Geoctroyeerde West- Indische Compagnie, 1621 — 1636, door Joannes de 
Laet, gedrukt te Leyden, by Bonaventuer ende Abraham Elsevier, 1644. 

2 



i8 

ouderling Hans Lenarts i). Niet aanstonds echter, want 20 Augustus 
1623 lezen wij, dat zij „alsnoch by d'eerste gelegen theyt, de 
vergaederinge van de negenthiene van de West Indise Compagnie 
sullen recommanderen de bevorderinge van den kerckendienst, soo 
binnen scheepsboort ende aen landt" 2). Den 24^^^ Augustus 1623 
brengt de ouderling Hans Lenarts, in absentie van D. Le Maire, 
verslag uit van hun bezoek bij de XIX en deelt mede, dat de 
Bewindhebberen „den kerckenraet voor haere sorchvuldicheyt be- 
danckten, ende haer daernae souden reguleren". De kerkendienst 
op Guinea was in de zorg van den kerkeraad en de heeren der 
Admiraliteit ; betreffende het Seminarium antwoordden zij „dat se dat 
noch moesten uutstellen, totdat haere saecke in meerder ordre ende 
vasticheyt waere" 3). Bij de instelling der West-Indische Compagnie 
werd dus het initiatief voor de geestelijke verzorging van scheeps- 
volk en koloniën genomen door den kerkeraad; bij de Oost- 
Indische Compagnie kwam de eerste aanvraag van de zijde der 
reeders. 

Eenige weken later, 14 September 1623, werd in den kerkeraad 
aangediend, dat de Bewindhebberen der West-Indische Compagnie 
om één predikant en drie ziekentroosters op de vier schepen, die 
weldra naar de West zouden afzeilen, verzocht hadden. De kerkeraad 
droeg thans aan D. Lucas Ambrosius en D. Triglandius, de com- 
missie voor de Indische zaken op, naar bekwame personen uit te 
zien 4). De zorg voor de Oost- en West-Indische Compagnie werd 
dus aan één en dezelfde commissie opgedragen ; voortaan komen de 
Oost- en West-Indische kerkelijke zaken in de protocollen van den 
Amsterdamschen kerkeraad onder één hoofd voor. Deze commissie 
had dus naar bekwame personen uit te zien, maar moest ook, 
gelijk een week later, 21 September 1623, werd bepaald, de 
Bewindhebberen vermanen er voor te zorgen, dat boeken en andere 
dingen voor predikanten en ziekentroosters noodig, op de schepen 
werden gebracht ; verder had zij te vragen of Bewindhebberen het 
goed vonden, dat de ziekentroosters bij meester Hendrick of iemand 
van de voorzangers op kosten der Compagnie nog wat les namen 
„in het intoneren ende voorsingen van de psalmen" 5). D. Lucas 
Ambrosius en D. Triglandius berichtten in eene volgende bijeenkomst 



l) 


Bijlage N". 


II. 


(27 Juli 


1623). 


2) 


Bijlage N°. 


12. 


(20 Aug. 


1623). 


3) 


Bijlage N°. 


13- 


(24 Aug. 


1623). 


4) 


Bijlage N°. 


14. 


(14 Sept. 


1623). 


5) 


Bijlage N°. 


IS- 


(21 Sept. 


1623). 



19 

van den kerkeraad, 28 September 1623 gehouden, dat zij zich van 
den hun opgelegden last hadden gekweten. De Bewindhebbers 
hadden ten antwoord gegeven, dat zij bereid waren aan eenige 
bekwame personen, die de kerkeraad hun zou voordragen, ingeval 
deze ook door hen geschikt werden bevonden, eenig traktement toe te 
leggen, opdat zij zich des te beter zouden kunnen oefenen ; verder 
zouden de Bewindhebberen „in de reste doen nae behooren" ^). 

De predikant, die door de Bewindhebberen naar West-Indië werd 
gezonden was Hermannus Wisman. Hij was student in de theologie 
geweest te Groningen en Franeker, had voor de broederen „die tot de 
Oost ende West Indise saecken sijn gecommitteert" eene propositie 
gedaan over Mattheus 11:28, waaraan zij „contentement hadden 
gehadt". Hem was geraden het reeds in Friesland aangevangen 
examen voort te zetten. Toen hij voor dit examen geslaagd, tot de 
kerkedienst was toegelaten en de broeders met de Bewindhebberen 
over zijne gage hadden gesproken, werd hij 4 December 1623 
„aengenomen voor predicant op de schepen naer West Indien", 
en door D. Roelandus bevestigd. Eenigen tijd later is hij in Angola 
werkzaam 2), 

Welke krankenbezoekers zich aanmeldden om naar de West 
te varen op de drie andere schepen der Compagnie, zullen wij 
zoo aanstonds zien; even nog volgen wij de betrekking van den 
Amsterdamschen kerkeraad tot de West-Indische Compagnie en 
hare koloniën. Traden de Bewindhebbers in het recht van den 
kerkeraad, dan werden zij daarover aangesproken. Pieter Bonnisz., 
die reeds vroeger in Oost-Indië was geweest, was bij hen gere- 
commandeerd als ziekentrooster in het jaar 1626. De Bewindhebbers 
der West-Indische Compagnie hadden echter, genoemden persoon 
voorbijgaande, hunnen opper-kommies last gegeven om in het schip 
voor te lezen. Eene wederrechtelijke handelwijze dus, waarover de 
kerkeraad zich beklaagde; tegelijkertijd recommandeerde hij Bonnisz. 
nog eens en verzocht den Bewindhebberen „by tyde te spreecken", 
wanneer zij ziekentroosters van noode hadden 3). Ook bij het „obti- 
neeren van de gagie" trad de commissie voor de Indische zaken 
tusschenbeide. Barent Evertsz. was op het schip „Medenblick" onder 
generaal Bouwen Heynsz. als ziekentrooster naar West-Indië gevaren. 
Het schip was verongelukt en nu werd hem „nae de zeerechten" zijn 



1) Bijlage N°. i6. (28 Sept. 1623). 

2) Protoc. V. d. Kerkeraad v. Amsterdam, V fol. 140 (5 Oct. 1623); V fol. 150 
(2 Nov. 1623); V fol. 151 (7 Nov. 1623); V fol. 156 (4 Dec. 1623). 

3) Bijlage N°. 23. (22 Jan. 1626). 



20 

gage onthouden. Hij verzocht bij zijne terugkomst in het vaderland 
„de intercessie des kerckenraets". Deze bewilligde en beval hem 
„den broederen Gecommitteerde tot de Oost ende West Indische 
saken" ^). In 1628 verzocht D. Smoutius, aangezien zijn tijd van 
twee jaren in „de besoigne in de Oost ende West Indische saecken 
nu geeyndicht was", van dien last ontslagen te worden. De ker- 
keraad bedankte hem voor zijnen getrouwen dienst en benoemde in 
zijne plaats D, Laurentius ^). Nog altijd echter was het met die com- 
missie voor de Indische zaken niet in het reine. Ook met het oog 
op de andere kerken in de steden, waar kameren der West-Indische 
Compagnie waren gevestigd, werd 28 Juni 1629 besloten, dat meer 
„particularia ad synodum" zouden gebracht worden, „voor eerst 
aengaende de sendinge van de cranckbesouckers naer Oost ende 
West Indien, datter mochte meer wettelijckheyt ende eenparicheyt 
gehouden worden" 3). 

Het wereldlijk bestuur van Nieuw-Nederland nu, was bij de kamer 
van Amsterdam 4) ; de geestelijke verzorging in 1628 nog steeds bij 
den kerkeraad, gelijk uit het volgende blijken zal. De eerste pre- 
dikant in Nieuw-Amsterdam op het eiland Manhattan was Jonas 
Michaëlius. Hij schrijft in zijnen beroemden brief aan D. Adrianus 
Smoutius den uden Augustus 1628: „ick hadde wel voor, ende 
oock belooft [te schrijven] aen de E.E. Broederen Rudolphum 
Petri, Joannem Sylvium, ende aen D. Cloppenburgium, die neffens 
uwe E. met de besorginge deses quartiers was belastet". De tijd 
ontbreekt hem en hij verzoekt dus deze allen, als ook D. Triglandius 
en „alle de Broederen des kerckenraeds" van hem te willen groeten. 
D. Smoutius en D. Cloppenburgius waren voor dit jaar de gecom- 
mitteerden tot de Indische zaken 5). Hieruit ziet men ten duidelijkste. 



1) Bijlage N°. 25. (5 Nov. 1626). 

2) Bijlage N°. 26. (6 April 1628). 

3) Bijlage N°. 27. (28 Juni 1629). 

4) P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederhndsche Volk, Gron. 1899, Dl. IV, blz. 287. 

5) Het is ons voornemen niet, thans reeds in den breede over D. Jonas Michaëlius 
te handelen; dit blijve voor later bewaard. Wij noemen hem in zooverre hij ons licht 
geeft over de betrekking tusschen den kerkeraad en de West-Indische Compagnie. De beroemde 
brief, waaruit bovenstaand citaat is genomen, werd door J. T. Bodel Nijenhuis in 1857 
gevonden in de nalatenschap van Jacobus Koning en afgedrukt in: Kerkhiitorisch Archief, 
verzameld door N. C. Kist e7i W. Ifoll, Amst. 1857, Dl. I, blz. 365—388. Hij berust thans 
in de Lenox-Library te New- York, waar ik zelf hem heb doorgelezen. Eene reproductie 
werd in 1896 door de „Collegiate Reformed Protestant Dutch Church of the City of 
New- York" uitgegeven onder den titel: The first minister of the Eeforip.ed Protestant 
Dutch Cht(rch in North-America. Nog een andere brief van hem is eenige jaren geleden 
bekend geworden, doch hierover hoop ik later in het, in de inleiding van dit geschrift 
reeds aangekondigde werk, nader te handelen. 



21 



dat het opzicht over dit quartier berustte bij de commissie uit 
den Amsterdamschen kerkeraad; ten overvloede schrijft hij nog op 
een andere plaats in denzelfden brief: „isser yet soo in dese als 
in andere zaken daerin uwe E. ende de E.E, Broederen des 
kerckenraeds (wekker inspectie over ons hier d'aldernaeste is) 
noodich achten ons te dienen met enige correctie, instructie ofte 
goede advysen, tsal ons aengenaem sijn ende wy sullen uwe E.E. 
daer voren danck weten" ^). Jonas Michaëlius werd uitgezonden 
door den kerkeraad van Amsterdam, en toen hij in het jaar 1632 terug- 
keerde bracht hij nergens anders dan weder in den kerkeraad van 
Amsterdam verslag uit. Dit laatste, dat hij in 1632 in Nederland 
terugkeerde, was tot heden volkomen onbekend ; het werd door 
mij in de protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad terug- 
gevonden. Het is een hoogst merkwaardig bericht. Jonas Michaëlius 
of Jonas Michielsen, gelijk hij genoemd wordt, verschijnt 4 Maart 
1632 voor den kerkeraad van Amsterdam. Van hem wordt gezegd, 
dat hij vóór 4 of 5 jaren „nae de Virginees" is gegaan. „De 
Virginees", ook wel „de Virgines", is in dezen tijd een andere 
naam voor Nieuw-Nederland. Uitvoerig doet hij mededeeling van 
„sijn wedervaer in die plaetse ende de gelegentheyt van synen 
dienst, ter tijt sijndere bedieninge". Voornamelijk verhaalt hij „t'gene 
gepasseert was tusschen hem ende den Commandeur van die 
plaetse, bestaende in verscheydene rescontren hem van dienselven 
ontmoet, waerdoor synen dienst ende persoone veelen onrusten 
ende moyten is onderworpen geweest" 2). Dit kleine berichtje is 
zéér belangrijk. Vooreerst zegt het ons, dat Michaëlius in 1632 
weder in het vaderland terug was 3) ; ten tweede leert het, dat de 



1) Het behoeft thans geen betoog, dat de opmerking van Bodel Nijenhuis, Kerk- 
hlstorisch Archief, Amst. 1857, Dl. I, blz. 383: „.belastef; dit was dus door de Noord-HoU. 
Synodus aan eenige Amsterdamsche predikanten opgedragen", allen grond en zin mist. 
Het is mij onbekend, waarop Dr. E. T. Corwin zijn gezegde: „Michaëlius was sent over by 
the classis of Enkhuysen ; b'jt in 1628, just after his departure for America, the control of New- 
Netherland passed into the care of the classis of Amsterdam, as Michaëlius intimates in 
his letter" (zie: Mdexiasticai Records, Vol. I, p. 38*) grondt; toch wel niet op het feit, dat 
eene synode van Noord-Holland, waar over de Oost-Indische zaken gehandeld werd toe- 
vallig te Enkhuizen werd gehouden, of dat Michaëlius als predikant te Hem, lid was van 
den ring Enkhuizen? 

2) Bijlage N°. 28. (4 Maart 1632). 

3) Van der Aa zegt in zijn Biorjrafi^ch Woordenboek sub voce , Michaëlius' : „het 
schijnt dat Michaëlius omtrent 1633 naar het vaderland is weergekeerd, of als predikant 
naar Virginië is verhuisd". Dr. Corwin merkt in: Ecclesiastical Records, Vol. I, p. 68 
reeds terecht op, dat het laatste een dwaling is, want Virginië was in dien tijd de naam 
voor Nieuw-Nederland. Bovendien weten wij thans uit het hier medegedeelde zeker, dat 
hij 4 Maart 1632 reeds weder teruggekeerd was. In : A Manual of the Reformed Church 
in America, New- York 1902, p. 30, n. 6 zegt Dr. Corwin: „It is a remarkable circum- 



22 

hoofdoorzaak van zijn vertrek een twist was met den directeur- 
generaal Pieter Minuit, die van 1626 — 1632 deze waardigheid be- 
kleedde i). Welken aard dit geschil droeg wordt ons echter niet 
medegedeeld. De vergadering van den kerkeraad heeft, toen zij 
dit alles vernomen had, „synen persoone vriendelycken gewillecomt", 
en hem met dank voor zijnen dienst daaruit ontslagen 2), 

De opvolger van Jonas Michaëlius in Nieuw-Amsterdam was 
Everhardus Bogardus. Ook over hem vinden wij in de protocollen iets 
medegedeeld, dat tot heden onbekend was. De Bewindhebberen der 
West-Indische Compagnie hebben hem aangezocht „om te gaen nae 
Nieuw-Nederlandt, genaemt de Virgines". Dezen dienst heeft hij aan- 
genomen, doch hij moest eerst nog door de Classis peremptoir 
geëxamineerd worden. Dit examen had 14 Juni 1632 plaats, nadat hij 
eerst eene propositie voor de Classis had gehouden over Galaten 5:16, 
een tekst, dien hij later wel wat meer in de praktijk had mogen 
brengen 3). Er staat toch : „En ik zeg : wandelt door den Geest 
en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet". Hij werd 
toegelaten tot den predikdienst in Nieuw-Nederland, in de verga- 
dering van den kerkeraad 15 Juli 1632 bevestigd, en aan de 
Amsterdamsche kamer der West-Indische Compagnie met classicaal 
testimonium voorgesteld 4). Drie jaar later, 8 November 1635, komt 
de fiscaal Lubbertus Dincklagen, uit Nieuw-Nederland teruggekeerd, 
zich bij den kerkeraad over D. Everhardus Bogardus beklagen. 
Op deze kwestie gaan wij thans niet in ; voldoende zij het te ver- 
melden, dat de kerkeraad hem zijn verzoek, om met zijne getuigen 
voor de vergadering gehoord te worden, niet toestond. Hij moest 
wachten tot D. Bogardus zelf uit Nieuw-Nederland was gekomen, 
„ende indien hij alsdan iets wil verder daerin doen, dat hy hem 
alsdan adressere aen den Classem, daer dese sake behoort" S). Men 
ziet hieruit, dat de werkzaamheid van den kerkeraad van Amsterdam 
bezig is over te gaan op de Classis. Nog sterker bewijs hiervoor 



stance, that there is no reference to the departure of Michaëlius from New-Netherland. 
Yet the fact and date must be on record somewhere, and a more exhaustive investigation 
of sources would reveal it". Zijn vermoeden is bewaarheid geworden. 

i^ Bodel T>ii}enhms zegi ia Kerkhistorisch Archief, Amst.iSsj, Dl. l,h\z.S73,3.a,n\.i: „Er 
is geen spoor van misverstand tusschen hem (Minuit) en Michaëlius gevonden, gelijk wel 
later tusschen Minuit's (hij bedoelt Michaëlius') opvolger Everardus Bogardus en den 
volgenden directeur der kolonie, Wouter van Twiller". Wij kunnen ons thans eene juistere 
voorstelling over hunne verhouding vormen. 

2) Bijlage N°. 28. (4 Maart 1632). 

3) Bijlage N°. 29. (7 Juni 1632). Bijlage N". 30. ( 14 Juni 1632). 

4) Bijlage N°. 31 (15 J"l» 1632). 

5) Bijlage N°. 33. (8 Nov. 1635). 



23 

geeft het volgende bericht. De Bewindhebbers der West-Indische 
Compagnie hadden op recommandatie buiten den kerkeraad om, 
tot predikant een Spanjaard aangesteld, die omstreeks het jaar i6i 6 
uit het pausdom tot de hervormden was overgekomen. Hij had 
in Frankrijk gearbeid en daar een grooten ijver tot bekeering van 
Spanjaarden aan den dag gelegd. Den kerkeraad was deze handel- 
wijze der Compagnie ter oore gekomen en daarom besloot hij 
3 Januari 1636, dat de broeders, gecommitteerd tot de Indische 
zaken, den president van de kamer van Amsterdam daarover zouden 
aanspreken. Indien dit gerucht waarheid werd bevonden, dan 
moesten zij den Bewindhebberen recommandeeren „de ordre der 
kercke, die tot noch toe met goede stichtinge onderhouden is" i). 
De scriba D. Mourcourtius en D. Geldorpius begaven zich als 
commissie naar de Bewindhebberen en berichtten 10 Januari 1636 
in den kerkeraad, dat zij „goet contentement van deselve verkregen". 
Een breeder rapport deden zij van hunne bevindingen bij de Classis 
inkomen ; in verkorten vorm werd de kerkeraad er van op de hoogte 
gesteld 2). Het is de Classis, die thans de teugels van het bewind 
over de Oost- en West-Indische zaken steeds vaster in handen neemt. 
De kerkeraad heeft in dezen zijnen arbeid geëindigd. In zijne 
protocollen komt dan ook na het jaar 1636 geen enkele mede- 
deeling betreffende Oost- en West-Indië meer voor. 

De Classis besloot 7 April 1636 een viertal predikanten te 
benoemen, die een concept-reglement voor het bestuur van Oost- 
Indië moesten opstellen 3). Het aantal der „deputati ad res Indicas", 
of „deputati ad res exteras", ook wel „deputati ad res maritimas", 
genoemd, werd met twee broederen van de Classis buiten de stad 
Amsterdam vermeerderd, dus op vier gebracht 4), Dit concept- 
reglement werd 5 Mei 1636 bij de Classis ingediend en door haar 
geapprobeerd. De artikelen en kerken-orde werden in een boek. 



i) Bijlage N°. 34. (3 Jan. 1636'». 

2) Bijlage N°. 35. (10 Jan. 1636). 

3) Acta Classis Amstelodamensis, IV fol. 71 en XXXIX fol. 19 (7 April 163b): „Sijn oock 
eenige broederen by de vergaderinge gecommitteert, om te concipiëren eenige articulen 
ende ordre, waernae de gecommitteerde broederen tot de voorsz. saecken [se. Indische 
saecken] in toecomende haer sullen hebben te reguleren; en sullen de articulen gestelt 
werden bij D, Praesidem [D. Laurentium], D. Rudolphum Petri, D. Antonidem ende D. 
Boutium, ende sullen de voorsz. broederen de articulen voornoemt inbrengen op de naeste 
Classicale vergaderingh, om by deselve gevisiteert te werden". 

4) Acta Classis Amstelodamensis, IV fol. 75 en XXXIX fol. 19 (17 April 1636): 
„Ende is het getal der Gecommitteerden, door byvoeginge van 2 broeders der Classis van 
buyten, vermeerdert". 



24 

dat in het Classicaal Archief nog als No. 39 voorhanden is, gere- 
gistreerd ï). D. Rudolphus Petri kreeg opdracht een „formulier van 
beroupinge" op te stellen 2); i September 1636 kregen vier predi- 
kanten last een concept-reglement voor de West-Indische kerken 
te maken 3), dat later in bovengenoemd boek werd ingeschreven. 
Deze instructiën en formulieren zijn door J. A. Grothe in het 
„Archief voor de geschiedenis der oude Hollandsche zending" 
afgedrukt 4). 

Voortaan berust de behandeling der Oost- en West- Indische 
zaken bij de Classis. De „deputati ad res Indicas" zijn de 
„koppelteekens" tusschen de Classis en de buitenlandsche kerken 
geworden 5). De werkzaamheid van den kerkeraad van Amsterdam 
ten opzichte van de Indische zaken is afgeloopen ; hem restte nog 
arbeids genoeg, om „de waere gereformeerde kercke Christi" binnen 
de eigen stede-grenzen, in een zuivere baan te houden. 



i) Aeta Classis Amstelodamensis, IV fol. 73 (5 Mei 1636): „De broederen in de 
voorgaende vergaderinge gecommitteert om eenige articulen ende ordre te concipiëren 
voor de gecommitteerde tot de Indische saecken, hebben de articulen bij haere E. ge- 
stelt, aen de vergaderinge overgelevert, welcke by de vergadering gelesen, endegeexami- 
neert sijnde, zijn geapprobeert ende alle voir goed gekeurt, ende sullen in een boec 
dairtoe gestelt, geregistreert werden". — Acta CL Amst., XXXIX fol. i, 2 (5 Mei 1636) : 
.^Vinden oock de gecommitteerden ad hanc instructionem noodich ende gedienstich, dat 
alle acten, resolutien etc, dewelcke de Oost en West Indische saecken aengaen, apart 
geprotocolleert sullen worden in een bysonder boeck, daertoe gemaeckt. Waerin oock 
int begin de formulieren van instructiën van Predikanten, Proponenten ende Siecken- 
troosters, dewelcke nu by de Classem sullen weesen geratificeert, sullen gebouckeert 
worden". 

2} Acta Classis Amstelodamensis, IV fol. 76 en XXXIX fol. 20 (9 Juni 1636): „Is mee 
geconcipieert by D. Rudolphum Petri een formulier van beroupinge voor de predikanten 
die nae Oost ende West Indien, Guinea etc. sullen gesonden werden, ende is oock by 
de vergaderinge voir goed aengenomen ende int bouc voorsz. by syne E. gebouckeert". 

3) Acta Classis Amstelodamensis, IV fol. 80 en XXXIX, fol. 22 (i Sept. 1636): „Sijn 
by de vergaderinge gecommitteert D. Wachtendorpius, D. Claesenius, D. Meursius ende 
D. Wilmerdounckius, om met malcanderen te beraemen een selve concept, nae 't welck 
de kercken in West Indien stichtelijc ende met goede ordre mochte worden geregeert, 
en sullen de voirsz. broederen tselfde met de Classe communiceeren". 

4) J. A. Grothe, Archief voor de geschiedenis der oude Hollandsche zending, Dl. VI, 
blz. 340—346. 

5) Het corrigendum door C. S'poe:\sX.x3., Bouwstoffen voor de Oeschiedenis der Nederduitseh- 
Gereformeerde Kerken in Zuid- Afrika, Amst. 1906, Dl. I, hh. A'.V/F op Van Boetzelaer's : 
De Gereformeerde Kerken enz. aangebracht, is mijns inziens juist. Men beschouwe de 
deputati immer als „geheimsecretarissen der Classis", die steeds „nomine Classis", doch 
nooit op eigen gezag, handelden. Van Boetzelaer overschat niet zelden hunne beteekenis 
en bevoegdheid. 



HOOFDSTUK lïl. 



Bastiaen Jansz. Krol als Krankenbezoeker. 



In het vorige hoofdstuk werd medegedeeld, dat de kerkeraad van 
Amsterdam in het jaar 1623 voor het eerst een oproep voor 
krankenbezoekers naar West-Indië had gedaan. De Compagnie 
zegde hun een bepaald traktement toe, zoolang zij nog aan land 
waren, opdat zij zich met ijver op het zingen en lezen zouden kunnen 
toeleggen. Onder degenen, die zich voor deze betrekking aanmeldden, 
vinden wij Bastiaen Jansz. Krol. 

Zijn naam wordt in de protocollen en acten verschillend ge- 
schreven. Hij komt voor als: Bastiaen Jansz. of: Bastiaen Jansen ; 
somtijds ook voluit als : Sebastiaen Jansz. Crol, ook wel als : Croll, 
vermeld. Wij bezitten van hem eene handteekening uit het jaar 
1634, waar hij zich aldus noemt: 

Krol, en dit is het eerste nieuwe gegeven, dat wij over hem 
kunnen mededeelen, was caffawerker van zijn beroep en' woonde 
op de Blom- of Bloemgracht in Amsterdam. Hij werkte dus in de 
„cafifa", een soort zijden stof of saai, die in vroegere tijden om de 
ledikanten gebruikt werd. Onder hen, die zich bij den kerkeraad 
in den loop der jaren kwamen aanmelden, treft men menigen 
caffawerker aan 2). 

Bastiaen Jansz. Krol was den 12"^^'^ October 1623, toen hij zich 



i) Het fac-simile van deze handteekening is vervaardigd naar de fotografische opname 
van de onderschrijving van het interrogatoir, dat als bijlage N". 32 van dit geschrift is 
afgedrukt. 

2) J. Verdam, Middehiederlandsch Woordenboek, 's-Grav. 1894, sub voce „caffa". Caffa 
is een soort zijden stof (armesijn, genus panni serici); de naam is waarschijnlijk af komstig 
van eene stad in de Krim. — C. A. L. van Troostenburg de Bruyn, De Servormde Ke^'k in 
l^ederlandsck Oost-Indië onder de Oost-Indische Compagnie 1602 — 1795, Arnh. 1884, blz. 
336, aant. 6, 



26 

bij den kerkeraad kwam aanmelden, acht en twintig jaar oud ; hij 
was dus geboren in het jaar 1595. Deze data kunnen wij afleiden 
uit een document van 1634, waarin gezegd wordt, dat hij op dat 
tijdstip den leeftijd van 39 jaren had bereikt ^). Krol woonde 
op de Blomgracht. Maar waar? Om dit te onderzoeken, was het 
Oud-Archief van Amsterdam, thans gevestigd in de St. Anthonis- 
waag op de Nieuwe Markt, de aangewezen plaats. De archivaris, 
Mr. W. R. Veder was terstond bereid mij voor te lichten en mij 
bij mijn onderzoek behulpzaam te zijn. In de zoogenaamde „kwijt- 
scheldingen", de door schout en schepenen geviseerde acten van 
koop en verkoop van huizen en erven, werd zijn naam niet 
gevonden, zoodat wij vrij zeker kunnen zeggen, dat hij geen huis 
in eigendom bezat. Een verder onderzoek in dit archief bracht 
echter betreffende dezen persoon nog veel nieuws aan het licht. 
In de „Ondertrouwboeken" vond ik de acte van zijne huwelijks- 
aanteekening. Deze ondertrouw had 7 Februari 1615 plaats. Uit 
dit document blijkt nog verder dat Bastiaen Jansz., afkomstig 
van Harlingen, op het tijdstip zijner ondertrouw 20 jaren oud 
was. Hij woonde toen „by de Regulierspoort", in de buurt dus 
van den tegenwoordigen Munt-toren, waar zijne woonplaats van het 
jaar 1605 af was geweest. Hij ondertrouwde met de 21-jarige An- 
netjen Stoffels-dochter, die van uit Eesens ^), waarschijnlijk ook eene 
plaats in Friesland gelegen, gekomen, gedurende 9 jaren te Amster- 
dam had gewoond. De moeder van Bastiaen Jansz., nl. Annetjen 
Egberts, assisteerde als getuige. Zij gaven aan „dat se aen malkanderen 
verlovet ende met trouwe verbonden waren" ; zij verzochten „haere 
drye Sondaeghse uytroepinghen" om daardoor de trouw te solem- 
niseeren en verklaarden, dat er tusschen hen geen verboden graad 
van bloed-verwantschap bestond. Het contract werd door de aan- 
staande vrouw van Krol met ,Anneken Chrystovel" onderteekend. 
Bastiaen Jansz. zette een kruisje ; de man kon toen nog niet schrijven. 
Hij is zich op het schrijven gaan toeleggen, want in 1634 hebben wij 
zijne handteekening, al is deze, gelijk wij zagen, niet bepaald een 
staaltje calligraphie. Misschien heeft hij het schrijven van zijne vrouw 



1) Bijlage N". 32. (30 Juni 1634). 

2) Welk dorp hier bedoeld is, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Er lag een dorp 
van dien naam (Eese, Ese of Eeze) in het noordelijk gedeelte der gemeente Steenwijker- 
wold tegen Friesland en Drenthe. Zie : A. J. v. d. Aa, Aardrijkskundig Woordenboek, 
Goiinchem 1843, Dl. IV, blz. 69. — Ook bij Schraard in Friesland ligt een gehucht van 
dien naam; Ees is ook een plaatsje ten Z. van Borger. Zie: Nomina Oeographica Neerlandica, 
Leiden 1899, Dl. IV, blz. 134, aant. i ; Dl. V, blz. 52. 



27 

geleerd ; schrift-kenners verzekerden mij, dat zijne handteekening met 
die zijner vrouw veel overeenkomst in schrift-karakter vertoonde ^). 

De volgende schrede in mijn onderzoek was nu, na te gaan of 
dit huwelijk ook met kinderen gezegend werd. Daartoe moest ik 
de doopboeken doorzoeken, waar ik nog meer vond, dan ik zocht. 
Hij ondertrouwde dus 7 Februari 161 5; zijn naam moest nog drie 
Zondagen worden afgekondigd vóór het huwelijk „gesolemniseerd" 
was, en reeds 16 Augustus 161 5 houdt hij in de Oude Kerk van 
Amsterdam zijn eerste kind ten doop. De gevolgtrekking make de 
lezer! De zoon werd „Thonis", dus Teunis, genoemd. Bij diezelfde 
plechtigheid werden nog 23 kinderen gedoopt, waaronder ook een 
zoon „Pieter" van den predikant Rudolphus Petri en zijne echtvrouwe 
Niesjen Ghijsbers 2), In deze zelfde doopboeken van de Oude Kerk 
ontmoette ik nog twee caffawerkers, met het patronimicum Jansz. 
Jan Jansz. cafifawerker, getrouwd met Hillegont Jansdochter, laat 
9 Februari 161 7 hun zoon Jan doopen. Heinrik Jansz. caffa werker 
getrouwd met Anne Heinrix, doet dit 10 November 1616 met hun 
zoon Jacob. Het zou kunnen zijn, dat de leden der familie Jansz.. 
waartoe ook Bastiaen behoorde, allen het beroep van cafifawerker 
uitoefenden. 

Bastiaen Jansz. liet een kind doopen in 161 5, terwijl hij zelf 
nog niet gedoopt was. In een der doopboeken van de Nieuwe Kerk 
namelijk lezen wij: „den 23 idem (Februari 161 6) van D. R. Petry: 
Bastiaen Jansz. out ontrent 21 jaer" 3). Uit deze kleine trekjes 

i) Deze ondertrouw-acte is in bijlage N°. 6 (7 Febr. 1615) van dit geschrift opgenomen 
Zij is in originali te vinden in: „Doop-, Trouw- en Be^rafenis-boeke/i, N°, 418, (ol. 162 verso 
(15 Febr. 1614 — 7 Febr. 1615). — Dat deze „Bastiaen Jansz." dezelfde is als „Bastiaen 
Jansz. Krol" staat boven eenigen twijfel vast. Er is volkomen overeenstemming in naam, 
in beroep en bovendien klopt de leeftijd van 20 jaren precies. Krol toch had in 1634 den 
ouderdom van 39 jaren bereikt. (Bijlage N°. 32). 

2) Deze doop-aanteekening is te vinden in: Doop-, Trouw- en Begrafenis-boeken, ^o. s, 
ongepagineerd, (16 Aug. 1615). De doopboeken van de Oade Kerk te Amsterdam dateeren 
van Juli 1564 — Augustus 1811, in het geheel 37 deelen. No. 5 loopt van 4 Jan. 1612 — 
30 Dec. 1621. Vóórin staat geschreven, dat in dezen tijd 10807 kinderen zijn gedoopt ; waarbij 
deze opmerking van den koster: „ick heb soo wel getelt als my doenlijck was, ende bidde 
den Leeser(!) sulx te willen gelooven, hoe wel daer niet veel aen gelegen is, soo schijnt 
het noch wonderlycke veel in soo korten tijt in een kerck.-fynus". Aan het einde van 
dit doop-boek schreef hij : „Godt sy lof, dit's t'einde des Jaers 1621". — Betreffende den 
doop van Krol's kind staat er in het doopboek: „Noch sijn den i6en Augustii gedoopt als 
volcht : Bastejaen Jansz. kaffawerker, Anne Krystoffelsd"",, Jannetjen Joorisd'., — Thonis". 
De beide eerste namen zijn die der ouders, de derde is die van de getuige; den vierden 
naam draagt het kind. 

3) Doop-, Trouw- en. Begrafenis-boeken, N°. 39, fol. 207 verso. De doopboeken der Nieuwe 
Kerk dateeren van Januari 1587 — Augustus 1811, in het geheel 25 deelen. Op de laatste 
bladzijde staat vermeld, dat de namen zijn ingeschreven door: „Herman Allertz., koster, 
geboren van Warmenhuyssen". 



28 

blijkt dus duidelijk, dat Bastiaen Jansz. Krol noch van hooge 
geboorte was, noch uit eene stipt-kerksche familie stamde. Hij kon 
op 20-jarigen leeftijd niet schrijven ; daargelaten „het gedwongen 
huwelijk", waarop men in die dagen zoo nauwkeurig niet toezag, 
pleitte het niet voor de kerkelijke nauwgezetheid van hem en 
zijne ouders, dat hij niet in zijne jeugd, maar eerst op 21 -jarigen 
leeftijd, den H. Doop ontving. 

Deze persoon nu kwam zich 12 October 1623 bij den kerkeraad 
van Amsterdam aandienen om als ziekentrooster te worden uit- 
gezonden. Hij was in het bezit van eene goede getuigenis; de 
kerkeraad besloot dus, dat hij „neffens andere" zou geëxamineerd 
worden ^). De daaropvolgende week had het examen plaats. Hoe 
dit uitviel weten wij niet, maar zeker was het zijne niet het beste, 
want D, Lucas Ambrosius en D. Triglandius, de gecommitteerden 
tot de Indische zaken, rapporteerden aan den kerkeraad, dat zij 
verscheidene personen, die naar West-Indië wenschten te varen, 
hadden ondervraagd, en dat Gerryt Pietersz. wonende te Monniken- 
dam en Jan Henricksz. van Rijssen te Haarlem met de meeste 
stemmen waren gekozen, om den Heeren Bewindhebberen der 
West-Indische Compagnie te worden gerecommandeerd 2). Bastiaen 
Jansz. Krol werd dus voor het tegenwoordige niet aangenomen. 

Gerryt Pietersz. was wel benoemd, doch werd ziek en zóó, dat 
het te bevreezen stond, dat hij niet mee zou kunnen varen. In 
zijne plaats moest dus voorzien worden. De Oost-Indische Com- 
pagnie had bovendien ook een krankenbezoeker noodig op een 
schip, dat naar Suratte werd gezonden. De kerkeraad vond dus 
^o November 1623 goed, D. Lucas Ambrosius en D. Geldorpius, 
welke laatste in de plaats van D. Triglandius was benoemd, af te 
vaardigen, om met „Bastiaen Jansen" en Dirck Laurensz., die te voren 
waren geëxamineerd, „wat naerder te handelen". Eén hunner zou 
aan de Bewindhebberen der Oost-Indische Compagnie, de ander 
aan die der West-Indische Compagnie worden gepresenteerd, in 
geval Gerryt Pietersz. ziek bleef 3). Zoo geschiedde. Bastiaen Jansz. 
Krol en Dirck Laurensz. bewilligden in het door de gecommitteerden 
voorgestelde reisplan en werden met Pieter Bonnisz. van instructie 
voorzien. Dirck Laurensz. voor Oost-Indië ; de beide anderen voor 
de West. Zij werden 7 December 1623 door den kerkeraad „tot 



1) Bijlage N'. 17. (12 Oct. 1623). 
et) Bijlage N°. 18. (19 Oct. 1623). 
3) Bijlage N°. 19. (30 Nov. 1623). 



29 

getrouwicheyt in haren dienst vermaent ï)". Er kwam echter voor 
Krol verhindering; thans werd hij ongesteld. Gerryt Pietersz., 
wiens ziekte slechts van voorbijgaanden aard was geweest, kon 
zijne plaats innemen en begaf zich nu met het schip, dat eerst voor 
Krol was bestemd, op reis. Het nieuwe jaar bracht Krol gezondheid ; 
25 Januari 1624 voer Bastiaen Jansz. Krol uit naar West-Indië, 
naar de kusten van Nieuw-Nederland. 

Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen; de majesteit 
van Gods voorzienigheid openbaart zich in het schijnbaar onbe- 
teekenende. Was Krol niet ziek geworden, hij zou naar Phernambuco, 
Guinea of welke ook der West-Indische bezittingen gevaren 
zijn, maar niet naar Nieuw-Nederland. Thans lag een schip voor 
Amerika zeilree ; het betreden daarvan, door een kleine ongesteld- 
heid veroorzaakt, bepaalde zijn verdere loopbaan, en had geen 
geringen invloed op de geschiedenis der Nieuwe Wereld. 

Krol reisde af in het bezit van eene instructie, welker inhoud 
ons bekend is geworden. Zij is te vinden in het meergenoemde „Copie- 
boek 1589 — 1635". De instructie-briefis eigenlijk gemaakt voor Pieter 
Bonnisz., die als krankenbezoeker eenigen tijd vóór het vertrek van 
Krol, naar de West voer, doch Krol ging met een van geheel denzelfden 
inhoud. Uit deze instructie blijkt, dat hem bij het werk van krankenbe- 
zoeker ook dat van „vermaner" op de schepen, werd opgedragen. 
De kerkeraad had het „noodich ende stichtelijck bevonden", dat 
op de schepen, die naar West-Indië gingen eenige personen werden 
geplaatst, die uit Gods Woord en eenige boeken van Gereformeerde 
leeraren „yet goets" tot stichting zouden voorlezen, het volk tot 
godzaligheid vermanen en de zieken vertroosten. Daarom werd 
door den kerkeraad van Amsterdam „als van den Classe daertoe 
gelast, met consent ende approbatie van de E. Heeren Bewint- 
hebberen van de West Indische Compagnie" een viertal punten 
opgesteld, waaraan de krankenbezoeker, in dit geval Krol, zich 
had te houden. Vooreerst moest hij lederen morgen en avond, 
ook vóór en na den eten „de gemeene gebeden" doen. Dan „des 
noot ende versocht sijnde" alle kranken vlijtig onderwijzen en ver- 
troosten. Hen, die de vermaning van Gods Woord „begeerden", of 
„van noode hadden", moest hij daartoe „in het particulier" aan- 
spreken; ter gelegener tijd was het zijne roeping uit Gods Woord 
of uit de boeken der Gereformeerde leeraren eenige kapittelen of 
een sermoen voor te lezen. Deze bediening had hij met een 



i) Bijlage N". 20. (7 Dec. 1623). 



30 

christelijken en godzaligen wandel te versieren, om zoo het volk 
met „woorde ende wandelinge" te stichten. Met nadruk werd 
hem echter verboden iets te doen „dat het predickampt aengaet", 
onder welk pretext dan ook; dit laatste doelde natuurlijk op 
het bedienen der sacramenten. Zijne instructie werd door twee 
predikanten en een ouderling onderteekend en van een opgedrukt 
kerkelijk zegel voorzien ^). Hoeveel salaris hij kreeg weten wij niet. 
Het varieerde in den regel tusschen 34 en 50 gulden in de maand ^). 
Deze éérste reis van Bastiaen Jansz. Krol naar, en zijn verblijf in 
Nieuw-Nederland duurde slechts kort; in November van hetzelfde jaar 
1624 is hij alweder in het vaderland terug. De route, die men in die 
dagen naar Noord-Amerika maakte, wordt ons door Van Wassenaer 
in zijn „Historisch Verhael" aldus beschreven: „Dit landt, nu 
Nieu Nederlandt genoemt, werd uyt dese landen ghemeenlijck 
in se ven of acht weecken beseylt, men set zijn cours na de Cana- 
rische Eylanden, vandaer op de wilde Eylanden, en dan gaet men 
cours na 't vaste landt van Virginia, dwers over steeckende in 
veerthien daghen, latende het canael van Bahama aen de slincker, 
de Berramuda aen de rechter zijde, waer tusschen de winden 
variabel sijn ; met de welcke men het landt aendoet" 3). Gesteld nu dat 
Krol voor eene voorspoedige heen- en terugreis 2 % maand heeft noodig 
gehad, dan kan hij, volgens zijn eigen mededeeling, ongeveer 7'^k 
maand, en dat in het midden van den zomer, in Nieuw-Nederland 
geweest zijn, terwijl Cornelis May van Hoorn er éérste directeur was 4). 
In de kerkeraads-zitting van 14 November 1624 treffen wij hem 
wederom aan. Hij wordt hier weliswaar „Croon" in plaats van Krol 
genoemd, doch alle twijfel, of hier wel dezelfde persoon vermeld is, 
wordt weggenomen, daar er in de notulen bij wordt gevoegd „die voor 
sieckentrooster in de Virginiis is geweest". „De Virginees" was een 
andere naam, gelijk wij vroeger reeds zagen, voor Nieuw-Nederland, 

i) Bijlage N°. i. (Copieboek 1589—1635). —Het zegel van den kerkeraad werdin 1578 
geslagen. Het vertoont een leeuw met een anker, waaromheen het randschrift: „iustus ut 
Leo confidit. Pro. 28". „Het segel des kerckenraets van Amst. heeft 1578 gecost van maeken 
met het silver daeraen 4 gl.". Deze mededeeling komt voor in : Kerkelijk Amsterdam^ 
fol. 129, een H.S. dat op het Oud-Archief te Amsterdam wordt bewaard. 

2) J. R. Callenbach, Justm Seurnius, Nijkerk 1897, blz. 18, 19, aant. 4. Bijlage B en C. 

3) Nicolaes van Wassenaer, Historisch Verhael al der ghedenckmeerdickste geschiedenissen, 
Amst., Dl. Dl, blz. 144^ (onder: Februari 1624). 

4) Nic. van Wassenaer, Eistorisch Verhael, Dl. XII, blz. sS' ; Dl. V, fol. 66^, 67 ; Dl. XI, 
fol. 112^ ; Dl. VIII, fol. 84^. — Zie over den persoon en de familie van Cornelis May van Hoorn : 
S. Muller Fzn., Geschiedenis der Noordsche Compagnie, Utrecht 1874, blz. 62, aant. i ; blz. 167, 
aant. 2. — Bijdragen en mededeeling en van het ütrechtsch Historisch genootschap, Amst. igo8, 
Dl. XXIX, blz. 50. — S. Muller Fzn., De reis van Jan Cornelisz. May naar de IJszee en de Ameri- 
kaansche Kust 1611- 1612, met 2 kaarten, 's-Grav. 1909.— Zie ook : Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 



31 

Bastiaen Jansz. Krol, reeds in 1624 krankenbezoeker of zieken- 
trooster in Nieuw-Nederland, dat mag als eene nieuwe ontdekking 
worden geboekt. De tot heden gangbare voorstelling, dat hij eerst 
in het jaar 1626 met den directeur-generaal Pieter Minuit zou zijn 
overgekomen, moet vervallen ; evenzeer de veronderstelling, dat zich 
eerst in 1626 eenig kerkelijk leven in Nieuw-Nederland begon te 
openbaren ^). Eveneens dient thans één der drie marmeren tabletten 
in het jaar igoo in „the Middle Dutch Church, Second Avenue and 
Seventh Street" te New-York door Mr, William L. Brower opge- 
richt, herzien te worden. Deze drie tabletten zijn in gotischen stijl 
vervaardigd. Het eerste is gewijd aan „Peter Minuit", den directeur- 
generaal van Nieuw-Nederland ; het derde aan „Jonas Michaëlius", 
den eersten predikant; het middelste mede aan Krol. Het draagt 
het volgende opschrift: „In memory of the krankenbezoekers 
Sebastian (sic) Jansen Krol and Jan Huyck, officers of the esta- 
blished church of the Netherlands, who a. d. 1626 came thither 
in advance of the first minister to perform their sacred office of 
ministering to the people and consoling the sick. The voice of 
one crying in the wilderness: ,Behold the lamb of God which 
taketh away the sin of the world'; comfort ye, comfort ye my 
people, I was sick and ye visited me. Gratefully erected by one 
himself ordained to the office of relieving the poor not only with 
external gifts but with comfortable words of scripture. A. D. 1900" 2), 

De datum van de vestiging van de Nederlandsche Hervormde 
Kerk in Noord-Amerika dient dus twee jaren eerder te worden 
gesteld, dan tot heden werd gedaan. Het jaar 1624 worde als tijd 
van stichting beschouwd. 



i) Wij vinden deze voorstelling bij alle Amerikaansche historici. E. T. Corwin schrijft 
in : „lEcclesiastical Secords, Albany 1901, Vol. I, p. 46 ; „With Peter Minuit, the Director 
General of New-Netherland, came over two Comforters of the sick. These were Sebas- 
tian (sic) Jansen Krol (or Crol) and Jan Huyck". — In Corwin's: „AManual of the Reformed 
Church in America (1628 — 1902), New-York 1902, p. 18 leest men: „With Minuit's advent, 
religieus services were actually begun in New- Amsterdam. For with him came over two 
krankenbesoeckers or Comforters of the sick. These were Sebastian (sic^ Jansen Krol (or 
Crol) and Jan Huyck". — Mrs. Schuyler van Rensselaer, History of the City of New- York in 
the seventeenth century, New-York 1909, Vol. I, p. 79, 84, spreekt ook over hem in dezen zin. 
Op blz. 79 geeft zij de volgende onjuiste definitie van ziekentroosters : „Comforters or visitors 
of the sick were, among the Dutch, authorized helpers of the clergy, who did missionary 
work when a minister was not available and were commonly schoolmasters also". 

2) De oprichter heeft mij dit tablet bij mijn verblijf in New-York zelf laten zien. Eene 
afbeelding ervan staat bij : E. T. Corwin, A Manualetc, New-York 1902, tegenover blz. 20. — 
Eveneens afbeelding met bijschrift in : In Memoriam. Peter Minuit, Sebastian Jansen Krol, 
Jan Suyck, The S,ev. Jonas Michaëlius and Jeremiah C. ifl«/?Ater, Presented at the memoria 
service, Middle Dutch Church, Second Avenue, 1900. 



32 

Bastiaen Jansz. Krol verscheen alzoo 14 November 1624 in de 
vergadering van den kerkeraad van Amsterdam, om verslag te 
doen van zijne bevindingen in de Nieuwe Wereld. Hij deelde mede, 
dat er in Nieuw- Amsterdam op Manhattan-eiland bevruchte vrouwen 
waren. Op den doop van de kinderen, die haar stonden geboren te 
worden, diende orde gesteld. Bovendien verlangden de kolonisten niet 
alleen, doch eischten zij een geordend predikant in Nieuw-Nederland 
te hebben. Hij verzocht derhalve aan den kerkeraad hem, zoolang 
er nog geen predikant was, bevoegdheid tot doopen te verleenen. 
Zijn verzoek werd tot eene volgende vergadering in beraad 
gehouden ; de eisch der kolonisten kon echter door den kerkeraad 
al aanstonds niet worden ingewilligd „alsoo daer weynich huys- 
gesinnen" waren i). Den volgenden Dinsdag, 21 November 1624, 
werd door den kerkeraad besloten, dat Krol benevens het zieken- 
troosterschap ook den christelijken Doop en Trouw zou mogen 
bedienen. Tot dien einde moest hij uit de boeken van Bullinger, 
Sepeius of andere Gereformeerde leeraren eenige postillen leeren, 
die op Doop of Trouw betrekking hadden, en dezelve lezen of 
opzeggen 2). Hij moest zich woordelijk aan den tekst houden en 
zich wachten „yets selfs te componneren oft stellen" 3). 

Wanneer Krol thans voor de tweede maal naar Nieuw-Nederland 
uitzeilde, weten wij niet met zekerheid te zeggen: er is echter 
grond om aan te nemen, dat het Mei of Juni 1625 is geweest 4). 
Hij is echter niet, gelijk beweerd wordt, met Pieter Minuit den 
nieuw benoemden kommandeur op de „Zeemeeuw", die 9 Januari 
1626 uitgevaren, den 4^" Mei van dat jaar in Nieuw- Nederland 
arriveerde, medegegaan, want dan zou hij van November 1624 tot 
Januari 162Ó werkeloos zijn geweest, en dat kunnen wij met het 
oog op den dringenden toestand in Nieuw-Nederland niet aannemen. 

Nog een andere krankenbezoeker, Jan Huygen, een zwager 



i) Bijlage N°. 21. (14 Nov. 1624). 

2) Het boek dat hier wordt bedoeld is het „Huysboeck Bullingeri", dat vroeger, naast den 
Bijbel eene voorname plaats innam. De volledige titel in de Hollandsche vertaling van 1568 is : 
y^Suysboeck, Vijf Decades^ Dat is vijftich sermoonen van de voorneemste hooftstucken der 
Christelycker Religie, in dry deelen ghescheyden, door Heinrychum BulUngerurn, Dienaer der 
Ghemeynte te Zitrich. Met seer rijcke Registers. Folio. Sermoon VIII, Decadis V, fol. 
282' — 290^ handelt over den H. Doop; Sermoon X, Decadis II, fol. 71^ — 75V handelt over 
het Huwelijk. — Wie de Gereformeerde leeraar „Sepeius" is geweest, kan ik, ook na 
verzoek om inlichting bij erkende historici als Prof. F. Pijper te Leiden, Prof. F. L. Rutgers 
te Amsterdam en Mr. S. Muller Fzn. te Utrecht, niet nader ophelderen. 

3) Bijlage N°. 22. (21 Nov. 1624). 

4) De dateering dezer tweede reis zal op blz. 35 van dit geschrift nader worden 
aangetoond. 



33 

van Minuit, ondernam de reis naar de Nieuwe Wereld. Het is 
€ven onwaarschijnlijk, dat déze op de „Zeemeeuw" met Minuit 
zou zijn medegereisd, aangezien wij twee maanden na het uit- 
zeilen van dit schip in de protocollen van den kerkeraad lezen, 
dat „Jan Huygen, geweest ouderling tot Cleve", aan de Bewind- 
hebberen der West-Indische Compagnie als krankenbezoeker zou 
gerecommandeerd worden ^). Deze Jan Huygen, de gewezen ouderling 
van Kleef, was blijkbaar dezelfde als de persoon van wien Jonas 
Michaëlius aanteekende, dat hij weleer in de kerkelijke bediening 
,,des ouderlingschaps in de Fransche kercke tot „Wesel" was ge- 
weest. Hij werd later „de winckelhouder der Compagnie" 2), 

Hoe dit ook moge geweest zijn, in November 1626 waren Pieter 
Minuit, Krol en Huygen (Huyck) in Nieuw-Nederland, want dan 
draagt Van Wassenaer er reeds kennis van 3). 

Zoodra Minuit in Nieuw-Nederland was aangekomen, kocht hij 
het eiland Manhattan van de Indianen. Dit eiland, waarover thans 
de stad New- York zich uitstrekt, was 1 1000 morgen groot; het werd 
zijn eigendom voor de luttele som van 60 gulden. Het bericht hiervan 
kwam 4 November 1626 in het vaderland door middel van het 
schip „het Wapen van Amsterdam", dat 23 September uit Nieuw- 
Nederland was vertrokken. Het had eene groote lading pelterijen 
aan boord: 7246 bever-vellen, 178^ otter-vellen, nog eens 675 
otter-vellen, 48 mincke- vellen, 2^ catlos (cattelossen)-vellen, 33 
mincken, 34 ratte-vellekens, bovendien „veel eycken balcken ende 
notenhout". Het rapporteerde: „dat het volck daer kloec is ende 
vreedigh leven; hare vrouwen hebben 00c kinderen aldaer gebaert". 
Verder, dat half Mei koren was gezaaid en reeds half Augustus 
gemaaid, waarvan met andere granen eenige monsters werden 
overgestuurd 4). Omstreeks dit jaar 1626 waren er op Manhattan- 
eiland ongeveer 200 zielen. Daar werd door meester Krijn 
Frederijcke een fort gebouwd, om tegen de mogelijke overvallen 



i) Bijlage N°, 24. (2 April 1626). 

2) Zie den brief van D. Jonas Michaëlius aan D, Adrianus Smoutius(ii Aug. i628)in: 
Kerkhistorisch Archief, Amst. 1857, Dl. I, blz. 373. 

3) Nic. van Wassenaer, Sistorisch Verhael, Dl. XII, blz. sS"" (onder : November 1626). 

4) De mededeeling van den aankoop van Manhattan-eiland komt voor in een brief van 
P. Schagen, den 5^° November 1626 aan de Staten-Generaal gezonden. Deze missive wordt 
bewaard op het Rijks-Archief te 's-Gravenhage. Zij is door J. Dingman Versteeg in fac- 
simile uitgegeven in: Manhattan in 1628, New- York (Dodd Mead and Company), 1904. 
In eene Engelsche vertaling: J. R. Brodhead, Documents relative to the Colonial Sistory 
of the State of Nem-York, Albany 1856, Vol. I, p. 37, 38. — Nic. van Wassenaer, 
E-istorisch Verhael, Dl. XII, fol. sS"" (onder: November 1626 [1627 is een drukfout]) spreekt 
ook over de aankomst van dit schip, doch meldt niets van den koop van Manhattan-eiland. 

3 



34 

der Indianen beschut te zijn. De plaats om en binnen het fort 
kreeg den naam : „Nieuw-Amsterdam". Over den toestand schrijft 
doctor Nicolaes van Wassenaer aldus : „Het Comptoir dat daer is, 
wert in een steenen huys ghehouden met riet gedekt, d'andere 
huysen zijn van basten van boomen, elck heeft sijn eygen huys. 
De Directeur met de Coopman woonen byeen; gemeene huysen 
zijnder dertich aen de oostzyde van de Revier, die zuyden en 
noorden ten nasten by streckt. Heden is aldaer Directeur d'eersame 
Pieter Minuit, Schoutet Jan Lempou, Kranckbesoeckers Sebastiaen 
Jansz. Crol, en Jan Huych, die op Sondaghen de ghemeente aldaer 
eenighe texten uyt de Schriftuyr, met de glossen i) voorlesen, 
met verwachtinghe van een predicant, alsoo Frangoys Molemaecker 
besich is met een Ros-meulen te bouwen, waer boven een ruyme 
plaets gemaeckt sal werden, die wel tot een groote vergaderinghe 
dienen sal, en dan een toren opgheset, daer de clocken van Puerto 
Rico ghehaelt, ghebruyckt sullen werden" ^). Of Krol nog kranken- 
bezoeker was, toen deze molen, waarin het paard in de week de 
korrel uit de schoven dorschte, voltooid was, weten wij niet. Maar 
dan heeft Krol in één van de dertig huizen wel een plekske gevonden, 
waar hij de kleine gemeente des Zondags vergaderde en in haar 
midden de kinderkens heeft gedoopt. De plaats, waar deze molen, 
dit éérste huis van godsdienstoefening was opgericht, is thans 
32 — 34 South William Street. Op de afbeelding van Nieuw- 
Amsterdam bij Nicolaus Johannis Visscher tusschen 1650 en 1656 
vervaardigd, is deze molen nog goed te onderscheiden 3). 

i) Door de Amerikaansche historici tot op Franklin Jameson is dit woord verkeerd 
vertaald door „creeds", waaronder men dan „de 12 Geloofsartikelen" had te verstaan. 
J. F. Jameson, Narratives of Nem-Netherland, New-York 1909, p. 83 vertaalt het juist 
door „commentaries". Glossen waren stichtelijke aanteekeningen en uitleggingen ; de „kant- 
teekeningen op den Staten-Bijbel" kunnen het niet geweest zijn, aangezien de eerste druk 
van dien Bijbel eerst 17 Sept. 1637 verscheen. 

2) Nic. van Wassenaer, Sistorisch VerJiael, Dl. XII, blz. sS"" (onder : November 1626). — 
Deze klokken, negen in getal, waren door admiraal Boudewijn Hendricksz. op Porto Rico- 
in het jaar 1625 veroverd. Vergelijk over dezen tocht : J. de Laet, Historie ofte Jaerlyck 
Verhael, Leyden 1644, blz. 59 — 64. 

3) Deze prent van „Nieuw Amsterdam op 't Eylant Manhattans", komt voor bij : 
Nicolaus Johannis Visscher, Novi Belgil, novaeque Angliae necnoii partis Virginiae tabula, 
multis in locis emendata, ie editie, omstreeks 1656 vervaardigd. Zij vertoont ons de tegen- 
woordige stad New-York, nog als een klein dorp met houten huizen. In den Catalogus van 
Frederik Muller en Co., Qeographie-Voyages, 1910, wordt deze kaart als No. 803 voor 
250 gld. te koop aangeboden. J. H. Innes heeft eene reproductie, naar de copie door 
Justus Danckers er van gemaakt, in zijn: New -Amsterdam and itspeople, New-York 1902, 
tegenover den titel uitgegeven. Eene beschrijving ervan vindt men op blz. 155 en in Appendix I. 
Vergelijk ook voor de beschrijving van New-York in dezen tijd: Frank Bergen Kelley,. 
Historical guide to the city of New-York, New-York 1909, p. 31. 



HOOFDSTUK IV. 



Bastiaen Jansz. Krol als Kommies van het Fort Oranje. 



Niet lang is Bastiaen Jansz. Krol krankenbezoeker gebleven. 
Nadat hij van den kerkeraad van Amsterdam verlof tot Doop en 
Huwelijks-inzegening had ontvangen, is hij nog gedurende 15 
maanden in dit ambt werkzaam geweest ^). Hij verwisselde het voor 
den werkkring van kommies of onder-directeur op het fort Oranje. 

De West-Indische Compagnie had namelijk, behalve opManhattan- 
eiland, nog eene kolonie in het noorden van Nieuw-Nederland 
gesticht, aan de Noord-Rivier, in de nabijheid van de tegenwoordige 
stad Albany, Deze kolonie bestond uit de bemanning van het fort 
Oranje, wier arbeid opging in den handel met de Indianen. 

Terwijl Pieter Minuit als directeur-generaal in het fort Nieuw- 
Amsterdam op Manhattan-eiland fungeerde, was Pieter Barentsz. 
kommies, ook wel kommandeur genoemd, van het fort Oranje. 
Niet lang bleef hij dit; Barentsz. ging 23 September 1626 met 
het schip „het Wapen van Amsterdam" naar Nederland terug 2). 
Nu werd Bastiaen Jansz. Krol in zijne plaats tot kommies benoemd. 
In September 1626 werd hij dus kommies; 15 maanden vóór dezen 
tijd was hij krankenbezoeker geweest, zoodat wij zijne tweede reis 
naar Nieuw-Nederland omstreeks Mei of Juni van het jaar 1625 
kunnen plaatsen. 

Het fort Oranje herbergde oorspronkelijk acht huisgezinnen en 
tien of twaalf matrozen, die daar in dienst van de West-Indische 
Compagnie waren. In het jaar 1626, waarschijnlijk bij het vertrek 
van Pieter Barentsz., gingen de meeste mannen en al de vrouwen 
naar het fort op Manhattan-eiland „opdat de colonie met huysghe- 



1) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

2) Nic. van Wassenaar, Historisch Verhael, Dl. XII, blz. 39'' (onder: November 1626 
[1627 is een drukfout]). Zie ook: J. R. Brodhead, Sistory of the State of Nem-York 
(1609 — 1664), New- York 1853, Vol. I, p. 169, 170. 



36 

sinnen gestij ft mocht zijn hy de Manhates, die hoe langher hoe meer 
de vreemdelingen ghe.vennet worden". In 1628 waren er op het fort 
Oranje 25 a 26 man aanwezig ^). Krol was kommies van het fort 
Oranje, toen de eerste predikant van Nieuw-Nederland D. Jonas 
Michaëlius 7 April 1628 voet aan land zette. Michaëlius stelde in 
het fort Nieuw-Amsterdam „een forme van een gemeente" aan, 
waarbij een kerkeraad werd verkozen, bestaande uit twee ouder- 
lingen. „Broeder Bastiaen Crol" kwam slechts hoogst zelden van het 
fort Oranje „naar beneden, doordien hem aldaer de directie van 
tselve fort ende den handel bevolen" was. Daarom werden Pieter 
Minuit en diens zwager Jan Huygen, „de winckelhouder der Compag- 
nie", tot ouderlingen benoemd. Was Krol echter op Manhattan, dan 
bestond de raad der kerk uit vier personen, Michaëlius inbegrepen ^). 
Bastiaen Jansz. Krol was van 1626 tot 1629, dus gedurende 
drie jaren directeur op het fort Oranje. Over den arbeid door 
Krol in die kwaUteit gedurende de jaren 1626 — 1629 verricht, 
kunnen wij niets mededeelen. Ongetwijfeld zal deze bestaan 
hebben in de handhaving van het gezag der West-Indische 
Compagnie, en in den pelterijen-handel met de Indianen 3). In 



i) Nic. van Wassenaer, Sistorisch Verhael, Dl. XII, blz. 38' (onder: November 1626); 
Dl. XVI, blz. 13' (onder: October 1628): „Op 't Fort Orangien, legghende hoogher op de 
revier, onder de Maikans, zijn nu gheen farailien, maer zijn alle beneden ghebrocht, daerop 
onthouden haer vijf of ses en twintich personen, handelaers. Onder-directeur is aldaer 
Bastiaen Jansz. Crol, die daer ghebleven is van den jare 1626, als d'andere nederwaerts 
ginghen". 

2) J. T. Bodel Nijenhuis, Jonas Michaëlius, in: Kerkhistorisch Archief, Amst. 1857, 
Dl. I, blz. 372, 373, 374, 

3) Dr. William Elliot Griffis weet er meer over te zeggen, in zijn : The Story of Nen- 
Netherland, Boston and New-York 1909, p. 75. Krol zou zijnen kolonisten nl. het oliekoeken- 
bakken hebben geleerd. Men luistere toch: „Barentsen (sic) was relieved by Captain 
Sebastian (sic) Krol, or Crol (pronounced CruU), a church elder, a comforter of the sick, 
and one of the shining characters of New Netherland (!). To him is ascribed the cruUer, 
or Krol-yer, a toothsome delicacy of high repute. The word is unknown in Holland, and 
the makers of dictionaries have vainly endeavored to derive the word from the Dutch, or 
German „krullen", to curl. When provisions were short, or the bill of fare at Fort Orange 
was monotonous. Captain Krol supplied a new sort of olekoek (sic), that is 'fried cake', 
'doughnut', or compound of flour, eggs, butter, and sugar. Krol, with his „cruUers" added 
a new delicacy to the frontier table". Onze doctor heeft meer van zulks. Op blz. 186 
leggen de kieviten („the kievits or phoebe birds") hunne eieren boven op het klankbord 
van den preekstoel. Op blz. 197 spreekt hij over huishoud- en weelde-artikelen (comfort) 
op de volgende manier; „None of the colonists of the many nationalities in the thirteen 
colonies excelled the Dutch in house-hold necessities and luxuries. Indeed, as was often 
said, there were people who could get along without the former, but must have the 
latter". En dan volgt: „Even the first question of their catechism had the word, 'comfort' 
in it". Op blz. 200 laat hij in 1656 Rutger Jacobsen den eersten steen van een 
Hollandsche kerk in Albany leggen „with the usual ceremonies, according to the beautiful 
liturgy of the Reformed Church". 



Z7 

het jaar 1629 is hij weder naar het vaderland teruggekeerd i). 
Wat was het doel van deze reis? Wij kunnen hieromtrent slechts 
een vermoeden uitspreken, omdat ons hierover geene berichten 
bekend zijn. Wij achten het echter alleszins mogelijk, dat zijne 
komst in Nederland gewenscht werd, met het oog op het placcaat, 
dat 7 Juni 1629 door de Staten-Generaal werd afgekondigd be- 
treffende de vestiging en regeling van particuliere koloniën. Het 
ware niet onmogelijk, aangezien wij met zekerheid weten, dat hij 
1 629 in Holland is geweest, dat zijne voorlichting en hulp in deze 
zaken werd begeerd. Wij gaan zoover te veronderstellen, — en een 
ieder zal toestemmen niet zonder grond — dat Kiliaen van Rensselaer, 
over wien wij weldra zullen spreken, reeds in 1629 met Krol over de 
vestiging eener kolonie Rensselaerswijck heeft onderhandeld. Waar- 
om koos anders Van Rensselaer juist het gebied, dat het dichtst 
bij het fort Oranje en onder bescherming van den directeur Krol 
was gelegen ; waarom zou hij, indien hij dezen persoon niet nader 
had leeren kennen, hem het volste vertrouwen als zaakwaarnemer 
hebben geschonken? Deze feiten pleiten, mijns inziens, voor een 
reeds bestaanden band tusschen Kiliaen van Rensselaer en Krol, 
ook al treden zij bij de stichting der kolonie met elkander in eene 
meer hechte betrekking. 

Terwijl Krol in 1629 in Holland was, werd door de Staten- 
Generaal het placcaat van de „vryheden ende exemptien voor de 
patroonen, meesters ofte particulieren, die op Nieu-Nederlandt 
eenighe colonien ende vee sullen planten" den 7^" Juni gearresteerd 
en afgekondigd. In de 31 artikelen van dit placcaat werd onder 
meer bepaald, dat de participanten in de West-Indische Compagnie, 
die in Nieuw-Nederland eenige koloniën wilden stichten, drie of 
vier personen met de schepen der Compagnie konden overzenden, 
om het land te verkennen. Deze personen moesten voor mondkost 
en passage zes stuivers per dag betalen ; wilden zij in de kajuit 
eten, dan twaalf stuivers. Patroon over eene groote kolonie, werd 
men door te beloven naar een zeker gewest, waar men, door aankoop 
van de wilden, heer en meester was geworden, binnen vier jaar 
tijd vijftig zielen boven de vijftien jaar te zullen transporteeren, 
van welke in het eerste jaar een vierde gedeelte moest gezonden 
worden. De Compagnie behield het eiland Manhattan, waar de 
stapelplaats voor goederen ten gebruike van de patronen zou zijn, 
benevens den alléén-handel in bevers en huiden aan zich 2). Weldra 



1) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634), 

2) Over de nadere bijzonderheden van dit octrooi van 31 Artikelen willen wij, als 



38 

deden zich eenige participanten der West-Indische Compagnie als 
gegadigden op. Samuel Godijn, Kiliaen van Rensselaer en Samuel 
Blommaert hadden van de hun gegeven vrijheid reeds 13 Januari 
1629 gebruik gemaakt, om Gillis Houset en jacob Jansz. Cuyper 
naar Nieuw-Nederland te zenden, ten einde daar een onderzoek in te 
stellen. Dit had ten gevolge, dat Michiel Pauw, Samuel Godijn, 
Albert Coenraetsz. Burgh, Samuel Blommaert en Kiliaen van 
Rensselaer zich als patronen lieten inschrijven. Kiliaen van Rensse- 
laer koos zich 19 November 1629 eene kolonie aan de Noord- 
Rivier „beginnende boven ende beneden van het fort Oraignien", 
aan beide zijden van de rivier, waarin begrepen de eilanden, 
benedenwaarts zoovele mijlen, als door de XIX was vastgesteld ^). 



van geen belang voor ons onderwerp, niet breeder handelen. Het is te vinden in: 
Nic. van Wassenaer, Mistorisch Verhael, Dl. XVIII, blz. 94'' — 98' (onder: Maart 1630). Er 
schijnen in het jaar 1630 verschillende uitgaven te zijn geweest, onder eenigszins 
varieerende titels. G. M. Asher noemt er twee onder n°. 331 en n°. 332 van zijn ; A biblio- 
(jraphical and historlcal essay on the Dutch hooks and pamphlets relatinff to 2feiv-^etherland, 
Amst. 1854 — 1867, p. 181, 182. Zij verschenen bij: „Marten Jansz. Brandt, boeckverkooper, 
woonende by de Nieuwe Kerck, in de Gereformeerde Catechismus". De titelplaat van 
n°. 331 is in fac-simile te vinden bij : J. Franklin Jameson, J^arratives of New-Netherland, 
1609 — 1664, New-York 1909, tegenover p. 90. Zie voor eene Engelsche vertaling: E. B. 
O'Callaghan, Sisiorij of New-Net herland, New-York 1855, Vol. I, p. 112 — 120. — J. R. 
Brodhead, Documents relative to the Colonial SListory of the State ofJSew- York, Albany 1856, 
Vol. I, p. 553 — 557. Inzonderheid vergelijke men de uitgave en vertaling bij : A. J. F. van 
Laer, Van Rensselaer JBowier Manuscripts, Albany 1908, p. 136 — 152. Tegenover p. 152 
staat een fac-simile der laatste bladzijde van een gedrukt exemplaar der „Vryheden ende 
Exeraptien", gevonden in de Van Rensselaer-Bowier papieren. Met inkt is er op ge- 
schreven : „7 Juni 1629 gearresteert". Dit pamflet was gedrukt : „t'Amstelredam by Theunis 
Jacobsz. Anno 1631". 

i) De gegevens voor hetgeen verder gezegd wordt betreffende de verhouding van Krol 
tot Van Rensselaer, zijn voornamelijk ontleend aan twee artikelen met bijlagen van de 
hand van wijlen den Amsterdamschen archivaris Mr. N. de Roever, Kiliaen van Rensselaer 
en zijne kolonie Sensselaerswijck, in OudSolland, Amst. 1890, Jaarg. VIII, blz. 29 — 74,80, 
241 — 296, en verder aan: A. J. F. van Laer, Van Mensselaer Bowier Manuscripts, Albany 1908. 

Mr. N. de Roever vond in 1888 bij Jhr. M. W. Bowier (die met een der dochters van den 
Hollandschen tak Van Rensselaer was gehuwd) den lateren vice-admiraal en commandant 
van 's landwerf te Amsterdam, een kistje op den zolder, dat bij nauwkeurig onderzoek 
verslagen, brieven, journalen enz. bleek te bevatten, die betrekking hadden op de kolonie 
Rensselaerswijck in Noord-Amerika. De geschiedenis der kolonie tot 1641 deelde hij in 
genoemde twee artikelen mede ; bovendien gaf hij enkele documenten als bijlagen daarbij uit. 
De dood sloot zijn werk in 1893 > ^^ artikelen-reeks werd niet voortgezet. Deze collectie 
handschriften ging daarna van hand tot hand, werd uitgeleend aan een zekeren J. F. Pieters, die 
haar naar Amerika overbracht en haar daar trachtte te verkoopen. Hij slaagde niet in zijne 
pogingen en liet haar in handen van Mr. George Waddington te New-York. De even scherp- 
zinnige als geleerde en beminnelijke archivaris van Staat A. J. F. van Laer hoorde van 
haar bestaan, onderzocht ze en kwam tot de conclusie, dat dit dezelfde handschriften 
waren die eens door De Roever ten deele waren gebruikt. Hij kreeg na verschillende onder- 
handelingen met de tegenwoordige eigenares Mrs. Van Rensselaer-Bowier, die juist in 
Amerika vertoevend van de vondst was in kennis gesteld, de opdracht van de „Regents 



39 

Bastiaen Jansz. Krol keerde naar Nieuw-Nederland terug, met 
een extract uit het Resolutie-boek der West-Indische Compagnie, 
waaruit bleek, dat Van Rensselaer patroon was van land aan de 
Noord-Rivier, boven en beneden het fort Oranje. Verder werden 
hem door den patroon 12 Januari 1630 instructies gegeven, tot 
koop van dit land van de Indianen. Deze instructie-brief is van 
den volgenden inhoud. Krol moest — en indien noodig mocht hij 
zijnen onder-kommies Dirck Cornelisz. Duyster om assistentie ver- 
zoeken — trachten het land voor Kiliaen van Rensselaer van de 
Mahycans, Maquaas of andere Indianen-stammen te koopen, zonder 
hun echter eenige reden tot ontevredenheid te geven. De betaling 
moest hij doen in cargasoenen, die hij op des patroons rekening 
van de Compagnie zou overnemen. De grens, zij het dan ook 
«enigszins onduidelijk, werd aangegeven : „de Limiten sal hy soo wijt 
nemen, als hy eenighsins sal connen doen. Soo hooge ende breet 
boven het fort Orangien als syluyden eenichsins sullen willen 
afstant doen alsmede beneden het fort Orangien, alwaer het vijff 
ofte meer mylen boven ende oock soo veele beneden hetselve fort^ 
en soo diep telande in, als eenighsins doenlijck is". Vooral vlak, 
niet met kreupelbosch of boomen begroeid land, achtte Van 
Rensselaer het verkieslijkst. Alles, tot in de kleinste bijzonderheden, 
moest Krol hem over dit grondgebied schrijven. Hoeveel eilanden 
er binnen de grenzen lagen, hoe lang en breed deze waren en uit 
welke grondsoort zij bestonden; verder moest hij hem in kennis 
stellen aangaande bosch en bouwland, bodem, mineralen, kortom 
alles wat hem toescheen de vermelding waardig te zijn. De betaling 
van het gekochte land moest hij doen in tegenwoordigheid vanden 
ganschen Indianen-stam, en vervolgens het opperhoofd van eiken stam 
mede naar Manhattan nemen, om daar den koop voor Directeur 
en Raad te bekrachtigen en de acte te laten passeeren. Een copie 
hiervan moest aan Van Rensselaer worden overgezonden. Krol werd 
opgedragen, dien instructie-brief aan den directeur-generaal Pieter 
Minuit te laten lezen en zich ten bate van Van Rensselaer van Minuit's 
hulp en welwillende gezindheid te verzekeren. De kolonie zou door 
Wolfert Gerritsz. worden aangelegd. Krol had toe te zien, dat 
deze landbouwer een eenvoudig en stevig huis bouwde, dicht bij 
eene kil, doch op eene verhevene plaats, opdat het door het water 



of the University of the State of New- York", deze voor de kennis van Amerika's historie 
zoo belangrijke bescheiden in het Engelsch te vertalen en uit te geven. Men kan deze 
handschriften thans vertaald vinden in: A. J. F. van Laer, Van Rensselaer Bonter 
Manuscripts, Albany 1908. 



40 

niet zou kunnen worden overstroomd. Hij had er op te letten dat de 
arbeiders flink werkten en den in Holland wonenden patroon niet 
bedrogen; hij moest jaarlijks een rapport over den toestand der 
kolonie, inzonderheid over den aanwas van het vee, den patroon 
Kiliaen van Rensselaer doen toekomen. Voor zijne moeite en zorg 
zou hij behoorlijke compensatie ontvangen ^). Deze koop, waarbij 
„Bastiaen Jansz. Crol commis" als zaakgelastigde optrad, geschiedde 
in Mei 1631, al was er reeds 13 Augustus 1630 eenig land voor 
Van Rensselaer gekocht, waarbij Krol echter niet wordt genoemd 2). 

De eenvoudige caffawerker van de Blomgracht, Bastiaen Jansz. 
Krol, die eertijds niet schrijven kon, had eerst het ambt van kranken- 
bezoeker gekregen; deze werkzaamheid verwisselde hij voor die 
van kommies of directeur op het fort Oranje, waarbij hij tevens 
als handels-agent voor den machtigen Kiliaen van Rensselaer optrad. 
Nog hooger zou hij stijgen op den maatschappelijken ladder. 

Toen Krol twee jaren na zijne derde reis, van 1630 tot 1632, 
kommies op het fort Oranje was geweest, werd hij directeur- 
generaal van Nieuw-Nederland, in de plaats van Pieter Minuit, 
die uit Nieuw-Nederland werd teruggeroepen. Aanleiding tot deze 
verandering waren de voortdurende onderlinge twisten op Manhattan- 
eiland, waardoor de belangen der Compagnie werden verwaarloosd. 
De directeur Minuit en de secretaris Van Remunde waren zéér 
tegen elkander verbitterd. Eene beschrijving hiervan geeft Symon 
Dircksz. Pos, raad van Nieuw-Nederland, in een brief aan Kiliaen van 
Rensselaer, gedateerd 16 September 1630. Hij schrijft: „Nu den 
directeur en Jan Romonde sijn seer tegen den anderen verbittert. 
Het drijft hier al, watter te dryven is; men laet de handelinge 
soet heenlopen, en doet geen yver om vermeerderinge van handel 
te becomen soo met sloepen als anders; maer met exhorbitante 
procedure malkanderen te beschuldigen ende de Heeren haer 
handel en wandel te laten dryven, daer wort wel yver toe gedaen. 
Den predikant Jonas Michielsz. is seer yverich hier te lande om 
vyer te stoocken tusschen beyden ; denselven behoorde een middeler 
te wesen in Godts kerke en gemeente, maer my dunckt tselve ter 
contrarie te wesen. De E. Heeren Bewinthebberen horen van hare 
onderdanen niet anders dan ydel propoosten, d'een heeft dit geseyt, 



i) A. J. F. van Laer, Fan Rensselaer Bowier Manuscripts, Albany 1908, p. 158 — 
161, 700. 

2) Dat deze koop reeds April 1630 zou hebben plaats gehad, is eene vergissing van 
Mr. N. de Roever. Vergelijk: A, J. F. van Laer, Van Rensselaer Bowier Manuscripts, 
Albany 1908, p. 181—183, 166—169, 182 aant. 



41 

d'ander dat, soodat in plaets de compangies dieners sullen sien 
op de handelinge, gaet daer terwyle een ander met de vellen 
strycken. De Engelsche in de Sloepsbay sullen ons noch middelertijt 
uyt de handelingen stoeten, overmits wy soo overlangsaam te 
werck gaen en slap sijn om onse handelinge te doen". In dezen 
toon vervolgt Pos zijne klachten. Hij dankt Van Rensselaer, dat 
deze zijn best mede gedaan heeft, om hem „tot een man te maken" 
en zendt hem met zijnen neef Dirck Joosten „een goede beren- 
huyt, daer UE. mede kan reysen en vletten ofte doen, soo UE. 
te rade vinden sal". De man is bedroefd en verontwaardigd, dat 
de menschen in Nieuw-Nederland elkander zoo met „infameuse 
scheltwoorden najagen" en de otter- en bever-vellen in hun eigen 
kisten „procederen" tot schade der Compagnie ^). 

De Amsterdamsche kamer der West-Indische Compagnie besloot 
alzoo, om Pieter Minuit en eenigen zijner ondergeschikten ter ver- 
antwoording terug te roepen. In Augustus 1631 werd hem hiervan 
aanzegging gedaan door Coenraed Notelman, die den schout-fiscaal 
Jan Lampo kwam vervangen. In de lente vanhet jaar 1632 gingen 
Minuit, Lampo en nog eenige familiën op het schip „de Eendracht" 
naar het vaderland terug 2). De West-Indische Compagnie had 
intusschen reeds Krol als nieuwen kommandeur benoemd. 



i) N. de Roever, Killaen van Rensselaer en zijne kolonie S,ensselaerswijck, in Oud- 
Solland, Jaarg. VIII, Bijlage B, blz. 70, 71. 

2) Zie over Pieter Minuit: Fr. Kapp, Peter Minnewit aus Wesel, in: Historische Zeit- 
sckrift (1866), Th. XV, S. 225 — 250. — Minuit stichtte later in dienst van de Zweedsche 
regeering eene kolonie aan de Delaware, met name „Nieuw-Zweden". Hierover vindt men 
hoogst belangrijke gegevens in de: Brieven van Samuel Blommaert aan den Ziveedschen 
RijkskanseUer Axel Oxenstierna, 1635 — 1641, door Dr. G. W. Kernkamp in het Rijks- 
Archief te Stockholm verzameld en uitgegeven in: Bijdragen en Mededeelingen van het 
JJtrechtsch Historisch Genootschap, Amst. 1908, Dl. XXIX, blz. i — 196. Minuit voer half 
Juni 1638 met het schip „de Kalmar Sleutel" naar St. ChristofFel, om een lading tabak te 
ruilen. Reeds op het punt naar Zweden te vertrekken, ging hij te gast aan boord van 
een schip uit Rotterdam, „het Vliegende Hert"; een orkaan stak op, sommige schepen 
verongelukten, waaronder ook dit schip. Pieter Minuit vond den dood in de golven (blz, 
53). Vergelijk ook: ]. R.BTodhea.d, Documents relative to the ColonialHistorg of ike State of 
NeiB-York, Albany 1856, Vol. i, p. 51. — E. B.C>''C&\\sigh2in,HistoryofNem-]Setherland, 
New- York 1855, Vol. i, p. 130. — J. R. Brodhead, History of the State of Neiv-York, 
New- York 1853, Vol. i, p. 213 — 217. — John Fiske, The Dwtch and Quaker Colonies in 
America, London 1899, Vol. i, p. 141. — Mrs. Schuyler van Rensselaer, History of the 
City of Ifeto-York in the seventeenth century, New-Tork 1909, Vol. i, p. 104. 



HOOFDSTUK V. 

Bastiaen Jansz. Krol als Kommandeur van Nieuw-Nederland. 
Zijne verdere Lotgevallen. 



De opvolger van Pieter Minuit, als kommandeur of directeur- 
generaal van Nieuw-Nederland, was Bastiaen Jansz. Krol, Uit zijn 
eigen mond hooren wij later, dat hij „generael-directeur van N. 
Nederlant, opt fort Amsterdam opt eylant Manhates, gelegen in de 
mont van de Noortrivier, anders Mauritius genaempt" is geweest 
en dat gedurende den tijd van 13 maanden. Dit was dus blijkbaar 
van einde-Februari of begin-Maart 1632 tot einde-Maart 1633 ^). 
Krol had deze bevordering aan Van Rensselaer te danken. In een 
brief van Januari 1632 heeft hij den patroon van Rensselaerswijck 
daarvoor zijne erkentelijkheid betuigd. Deze brief van Krol is niet 
meer aanwezig; in een door Van Rensselaer gezonden schrijven 
wordt er op gezinspeeld ^). Toch heeft Krol zijnen beschermer niet 
onvoorwaardelijk gesteund; wellicht heeft hij van de geschillen 
tusschen Bewindhebberen en Patronen, ook in Nieuw-Nederland 
gehoord, en heeft Krol zijn heer en meester de West-Indische 
Compagnie te vriend willen houden. Dit blijkt o, a. uit eene zaak, 
die Van Rensselaer onder het kommandeurschap van Krol, bij de 
kamer van XIX indiende. 

Kiliaen van Rensselaer liet namelijk 27 April 1634 door den 
notaris Justus van de Ven bij de Heeren Bewindhebberen eene 
„insinuatie" indienen van den volgenden inhoud. De Bewind- 
hebberen hadden 8 Januari 1630 met zes „huysluyden" een contract 
gemaakt, dat dezen naar het eiland Manhattan gaande, ieder 4 paarden 
met veulens, 4 koeien met de kalveren „die sy droegen", benevens 2 
pinken, 6 schapen en 6 varkens, als ook de wagens, ploegen en 



i) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

3) A, j. F, van Laer, Van Rensselaer Bomer Manuscripts, Albany 1908, p. 217. 



43 

verdere landbouw-gereedschappen van de Compagnie zouden ont- 
vangen. Daarvoor moesten zij 600 gulden in zes termijnen betalen, 
benevens de waarde van 2 paarden, 2 koeien, 3 schapen en 3 varkens 
„soohaest syluyden boven 't voorsz. getal deselve souden hebben 
aengeteelt". Verder kreeg ieder „een bequame bouwinge, versyen van 
huys, berch ende schuyr, groot ontrent 50 morgen lants" inhuur, 
en dat voor den tijd van 6 jaar, het contract primo Mei 1630 ingaande. 
Gerrit Mattheusz. de Reux en Pieter Pietersz. Bijlevelt hadden 
respectievelijk bouwerij N°. 2 en N". 3 op die voorwaarden gekocht, 
reeds den eersten termijn betaald en het eerste jaar pacht voldaan, 
toen zij plotseling door de Bewindhebberen naar het vaderland 
werden opontboden. Daar gekomen hadden de Heeren hen ver- 
hinderd weder naar hunne boerderijen op Manhattan-eiland terug te 
keeren; zoo waren zij genoodzaakt geweest, omdat zij niemand 
konden vinden, die de bouwerijen met den veestapel van hen 
wilde overnemen, de eerste te „abandonneeren" en den laatste 
aan Van Rensselaer te verkoopen voor zijne eigen kolonie Rensse- 
laerswijck, onder voorbehoud echter, dat Van Rensselaer „de 
resterende partyen" zou voldoen, „ende den gestelden aenwas, als hy 
daervan soude sijn versyen" zou leveren. Deze had zijn ,,commis" op 
Manhattan-eiland, Wolffert Gerritsz., geordonneerd om al die beesten 
met de eerste gelegenheid naar zijne kolonie over te brengen, 
doch dan trad de directeur-generaal Bastiaen Jansz. Krol tusschen- 
beide. Krol verhinderde het „also hy niet geraden vonde, de 
bouweryen van de bestialen te ontblooten". De meeste dieren 
stierven nu van mishandeling en gebrek, of werden door anderen 
dan Van Rensselaer's knechten gebruikt. Daarom „doleerde hy daer- 
over publyckelijck" voor de vergadering van XIX en vroeg restitutie 
van de geleden schade, Den volgenden dag deelde de president 
der kamer aan den notaris Van de Ven mede, dat hij den heer 
insinuant provisioneel had tevreden gesteld ^), 

Nog in een ander opzicht mishaagde het doen van den directeur Krol 
aan Kiliaen van Rensselaer. Hij klaagt over diens handelingen in zijne : 
„memorie overgelevert in de vergaderinge der XIX der geoctroy- 
eerde West-Indische Compaignie op den 25^11 November 1633 in 
Amsterdamme". Van Rensselaer uit zijne klacht in deze woorden : 
„gelijck nu noch lestmael oock geschiet is, dat den directeur in Nieu- 
Nederlandt sijn 2) volck lange tijt infructueus aen de Manhattans 



i) N. de Roever, Kiliaen van Rensselaer enz., in OudSolland, Jaarg. VIII, Bijlage C, 
blz. 72, 73. 

2) Namelijk het volk van Kiliaen van Rensselaer. 



44 

gehouden heeft ende niet willen naer boven ^) laten varen, vóór- 
dat sy eenen inpertinenten eedt, by de camer van Amsterdam 
medegegeven, souden hebben gedaen, niettegenstaende deselve 
persoonen te vooren alhier den gewoonen eedt hadden gepresteert, 
ende daerenboven borge ende cautie gestelt tot contentement van 
de vergaderinghe" 2). 

De Amsterdamsche kamer der West-Indische Compagnie schijnt 
ook over het bestuur van Bastiaen Jansz. Krol niet volkomen 
tevreden te zijn geweest. Tenminste in eene missive van Kiliaen 
van Rensselaer aan Krol, gedateerd 20 Juli 1632, spreekt de patroon 
er over, dat de kamer van voornemens is eene geheele verandering 
te brengen in de bestuurs-personen van Nieuw-Nederland. Krol 
zal spoedig worden teruggeroepen van zijn post ; Duyster, de kom- 
mies van het fort Oranje, weder tot onder-kommies verlaagd, terwijl in 
de plaats van Krol de neef van Kiliaen van Rensselaer, met name 
Wouter van Twiller, zal worden benoemd. Hij geeft de verzekering, 
dat deze Wouter van Twiller in de verste verte Krol niet uit zijne 
betrekking heeft trachten te dringen, daar de Heeren Bewind- 
hebberen hem buiten zijn weten om, tot directeur hadden benoemd. 
Het verdroot Van Rensselaer, dat men zijne beproefde vrienden 
in Nieuw-Nederland ging verwisselen voor personen, die hij minder 
vertrouwde. Maar, velen der Bestuurderen maakten bezwaar mannen 
te zenden, die den patroon gunstig gezind waren. Kiliaen van Rens- 
selaer hoopt er het beste van en beveelt Krol aan God's genadige 
bescherming aan 3). Kiliaen van Rensselaer's neef dan, Wouter 
van Twiller, die klerk in het West-Indische huis te Amsterdam 
was geweest, zeilde omstreeks 27 Juli 1632 op „de Soutbergh" 
van Texel uit en kwam in April 1633 in Nieuw- Amsterdam aan, 
waar hij het directeur-generaalschap van Bastiaen Jansz. Krol 
overnam 4). Op het fort Oranje was tegelijkertijd, tegen den zin 
van Kiliaen van Rensselaer in, een zekere Hans Jorisz. Hontom 
benoemd, die reeds vroeger hier was geweest om met de Indianen 
handel te drijven en die zich onder hen als een onbeschaamde 
woesteling had gedragen. Toen Krol nog als kommies op het 
fort Oranje resideerde, had hij dit uit den mond der inboorlingen 
zelf gehoord. Kontom had deze lieden, de Maquaas-stam, aller- 



i) Naar de kolonie Rensselaerswijck. 

3) N. de Roever, Kiliaen van Rensselaer enz.y in; OtidSolland, Jaarg. VIII, Bijlage A, 
blz. 62, 65. 

3) A. J. F. van Laer, Van Rensselaer Bomier Manuscripts, Albany 1908, p. 217, 218. 

4) A. J. F, van Laer, 1.1., p. 229. 



45 

schandelijkst behandeld. Hij had één hunner opperhoofden, sackima's 
genaamd, gevangen genomen en eischte voor hem van zijne onder- 
danen een grooten losprijs. Het rantsoen werd betaald ; desniettegen- 
staande had Hontom, tegen zijn belofte in, den overste „de mannelicheyt 
uutgesneden, die aen de stach met touwen opgehangen", zoodat de 
sackima stierf. Hierover was twist ontstaan tusschen Hontom en 
de Indianen ^). Door de partijschappen in de kamer van Amsterdam 
was deze onverlaat thans als kommies van het fort Oranje be- 
noemd geworden. 

Wouter van Twiller was nauwelijks in Nieuw-Nederland als 
directeur aangekomen, toen een Engelsch schip, „The William", het 
fort „Nieuw-Amsterdam" op Manhattan-eiland naderde, met het doel 
een handel in huiden met de Indianen te openen. Het was uit- 
gezonden door drie Engelsche kooplieden te Londen, die een zekeren 
Jacob Jacobsen Eelkens, ook wel Eelkes of Elkins genaamd, daarop als 
zaakgelastigde hadden geplaatst. Eelkens was vóór de vestiging der 
West-Indische Compagnie omstreeks het jaar 1 614 reeds kommandeur 
van het kleine Hollandsche fort Nassau geweest, en had als zoodanig 
reeds handel gedreven 2). Hij was dus welbekend met de Hollanders 
en de Hollandsche manieren. Nabij het fort Nieuw- Amsterdam geko- 
men, zond Eelkens zijnen chirurgijn aan wal, met het verzoek aan den 
directeur Van Twiller, om hem op zijn schip te willen bezoeken. Wouter 
van Twiller deed dit niet aanstonds, maar noodigde Eelkens aan land ; 
den chirurgijn gelastte hij aan den handelaar te vragen, of hij den Prins 
van Oranje erkende. Eelkens kwam aan land en werd door Directeur en 
Raad van Nieuw-Nederland ontvangen. Van Twiller vroeg hem wat hij 
daar deed, en waar zijn lastbrief was, Eelkens antwoordde, dat hij ge- 
komen was om otter- en bever- huiden te halen ; dat hij geen lastbrief 
behoefde te toonen, want dat hij als onderdaan van den Koning 
van Engeland zich thans in diens gebied bevond. Bovendien wilde hij 
wel eens weten, met welk recht de Hollanders hun vlag op het fort 
Amsterdam hadden geplant. Van Twiller zeide kort en bondig, 

i) Bijlage N". 32. (30 Juni 1634). 

2) De beschrijving van het fort Nassau vinden wij bij: J. de Laat, Beschryxiinghe van 
West Indien, 1630, 2de vermeerderde druk, Boek III, Hfdst. IX, blz. 106: „'t Fortjen was 
hier gheleght in den jare 1614, op een eylandeken aen de westwal van de rieviere, daer 
een natie van wilden woont, die se noemen Mackwaes, dewelcke vyanden zijn van de 

Mahikans Dit Fortjen was ghemaeckt in forme van een redoute, met een gracht van 

18 voeten wijdt omcinghelt : daer laghen twee gotelinghen op ende elf steen stucken, ende 
tien oft twaelf man in besettinghe ; daer commandeerde eerst Henderick Christiaensz. ende 
in sijn absentie laques Elckens van weghen de Compagnie, die het octroy in denjare 1614 
voornoemt van de Ho. Mo. Hearen Staten-Generael hadden verkreghen. Dit Fortjen heeft 
voor 3 jaren ghestadigh beset geweest, ende is daernaer ten deele vervallen". 



46 

dat hij en zijn Raad besloten waren, hem den verderen handelstocht 
op de rivier te beletten, want dat de gewesten waarin hij zich 
bevond aan den Prins van Oranje toebehoorden en geenszins aan 
den Koning van Engeland. Intusschen schijnt Van Twiller zich 
toch te hebben laten overhalen om bij den Engelschman aan 
boord te komen, waar hij zich met zijne soldaten zéér schande- 
lijk gedroeg. 

Wij weten dit uit het verhaal van een ooggetuige, den kapitein 
David Pietersz. de Vries. Hij beschrijft het in zijn: „Korte 
Historiael, ende Journaels Aenteyckeninge van verscheyden Voya- 
giens", uitgegeven in het jaar 1655 i). Dit „journael" is hoogst 
zeldzaam en kostbaar; slechts één exemplaar is, voorzoover mij 
bekend, in ons vaderland aanwezig. Dit bevindt zich op het Museum 
Meermanno-Westreenianum te 's-Gravenhage, waar het door mij is 
geraadpleegd. 

De reis door David Pietersz. de Vries tusschen de jaren 1632 — 1644 
langs de kusten der Nieuwe Wereld ondernomen, is voor ons 
onderzoek van belang. Het quarto-deel, dat al zijne reizen bevat, 
geeft op de eerste bladzijden eenige „lof-dighten op 't Journael", 
waaronder dit merkwaardige : 

„Wilt ghy verre reyse varen 
Naer het rijck Oost-Indisch landt, 



i) De volledige titel van dit reis-journaal is: 

„Korte Historiael, ende Journaels Aenteyckeninge van verscheyden Voijagiens in de vier 
deelen des Wereldts-Ronde, als Europa, Africa, Asia, ende Amerika gedaen, Door D. David 
Pietersz. de Vries, Artillery-Meester van de Hd. M. Seeren Gecommitteerde Raden van 
Staten van West- Vries landt ende H Noorder-quartier. Waerin verhaelt werd watBatailjes 
hy te Water gedaen heeft: Yder Landtschap zijn Gedierte, Gevogelt,mat soortevan Vissen, 
ende mat milde Menschen naer H leven geconterfaeyt, ende van de Bosschen ende Ravieren (sic^ 
met haer Vruchten. fSoorn. Voor David Pietersz. de Vries, Artillery-Meester van 
H Noorder-quartier. Tot Alckmaer, hy Symon Cornelisz. Brekegeest, Anno 1655, in 4°. 
Het door mij gebruikte exemplaar in het museum Meermanno-Westreenianum telt 190 blz. 
tekst en 2 blz. verbeteringen. Het portret van De Vries, geëtst door Corn. Visscher, ont- 
breekt. Dit journaal is gebonden in een quarto-boekdeel, waarin nog voorkomen: 1°. De 
reis van Christophorus Frikius naar en in Oost-Indië (1680 — 1686); 2°. De reis van Elias 
Hesse naar en in Oost-Indië (1680 — 1684) ; 3°- De reis van Christophorus Schweitzer naar 
en in Oost-Indië (1675 — 1683). Dan volgen de reizen van De Vries: de eerste naar de 
Middell. Zee (1618); de tweede naar Terra Nova en de Middell. Zee (1620); de derde 
met J. Pz. Coen naar Oost-Indië (1627 — i63o);de volgende reizen naar Amerika (1632 — 1644). 
Eene Engelsche vertaling met portret, wapen en wapenspreuk van den schrijver, is uitge- 
geven door H. C. Murphy, Voyages from Holland to America, A. D. 1632 — 1644, D. P. 
de Vries, New-York 1853. — Zie ook: P. A. Tiele, Nederlandsche Bibliograjie van Land 
en Volkenkunde, Amst. 1884, blz. 259, 260. — G. M. Asher, Abibliographical and historical 
essay etc, Amst. 1854 — 1867, p. 201, n°. 336. — J. F. Jameson, Narratives of Nem- 
Netherland, New-Tork 1909, p. 183 — 234. 



47 

Daer de sonne vyerigh brandt: 
Wilt de vreemde vrouwen sparen 
Neemet op u drincken acht 
En verschoont u kleeren saght: 
Suyver sijn, verlenght de jaren". 

De taal van het journaal is verre van onberispelijk. De groote 
vuist was vaardiger in het hanteeren van roer en scheepstouw, 
dan in het voeren van den ganzen-veder. De verhaal-trant is echter 
levendig en schilderachtig, heerlijk schoon bij alle onbeholpenheid 
van uitdrukking. O! dat pittige, klankvolle Nederlandsch der 
1 7«Je eeuw, hoe scherp steekt het af bij de menigmaal zoo vlakke, 
prairie-achtige, gladgewreven taal van onze dagen. 

Als proeve van reis-beschrijving volgen hier de eigen woorden 
van De Vries. Hij zegt dan ^): 

Wij „arriveerden tegens de middagh ^) voor 't Fort Amsterdam, 
ende vonden daer een schip legghen ; was een Companieschip, ,de 
Sout-Bergh' ghenaemt, met een prijs met suycker dien se onder 
wege ghekregen hadden; hadde een nieuwe Commandeur mede 
ghebroght. Wouter van Twiller van Nieuw-Kercke, was een klerck 
in 't West-Indies huys tot Amsterdam geweest; dese was na ons 
uyt Hollandt ghetrocken. lek voer aen landt aen 't Fort, alwaer 
hy my buyten het Fort quam verwellekomen, ende vraeghde my 
oock, hoe de wallevisserye afgeloopen was ? lek antwoorden 3) 
hem, dat wy 't munster hadden, ende ick seyde hem, dat het 
gecken waren, die de wallevisserye daer versoght met alsulcke grooten 
onkosten, hetwelck sy wel konde gedaen hebben met een sloep 
twee a drie uyt Nieuw-Nederlandt, ende hadde gesien of 't vissen 
goedt geweest hadden ofte niet, daer sy soo lange als de Companie 
gestaen hadden, Godijn Bewindhebber was gheweest, ende oock 
van de Groenlandtsche Companie tot Amsterdam, die wel behoorde 
te weten, hoe men dat eerst met kleyne kosten hadden moeten 
ondersoecken. 

Terwijls dat wy stonden en discoureerde, soo quam onse sloep 
van 't groot schip aen landt, daer wy uyt verstonden, dat se aen 
de Santpunt ten ancker waren gekomen, ende daer soude blyven 
leggen, totdat ick haer ander ordre gaf; ondertusschen soght ick 



i) Blz. 113 en 114. — Wij volgen bij de aanhaling de regels van het Historisch Genootschap. 

2) 16 April 1633. 

3) De Vries gebruikt meermalen den meervoudigen vorm, waar wij den enkelvoudigen 
zouden verwachten en omgekeerd. 



48 

mijn jacht te despescheeren, om na Nieuw-Engelandt ende Nova- 
Francia de baye te descouvreren. 

Den 1 8 dito ^) arriveerden alhier een Engelsman ^), dewelck uyt 
Nieuw-Enghelandt quam, om alhier op de ravier (sic) te handelen, 
daer een koopman op was, genaemt Jacob Eelkes, die by de par- 
ticulieren haer tijdt altoos op dese ravier hadde gekommandeert 
en gevaren,, dewelcke de Companie niet wilden imployeeren, ende 
soghten onbequaemen ghelijck dese Commandeur, die se van een 
klerck hadde tot Commandeur ghemaeckt, daer se comedie 
mede speelden. En dese Engelsman heeft dese Commandeur 
te gast genoodight, alwaer ick medegonck met vry een parthye 
volcks, daer se beschoncke raeckten ende hooge woorden 
wissen 3), dat den Engelsman niet wiste, hoe hy 't hadde van 
sulcken ongeregeltheydt onder de Companies dienders, ende 
siende, dat een Commandeur niet meer commandements hadde, 
't welck d' Engelsman van haer natie niet gewent en was. Doen 
bleef de Engelsman noch ses a seven dagen voor 't Fort leggen, 
ende sprack dat hy de revier op wilden, dat het haer landt was; 
dat wierden hem nu gecontrarieert, seggende dat hy noyt eenigh 
volck daer geset hadde ; hy sprack, dat David 4) Hutson dese revier 
eerst gevonden hadde, dat een Engelsman was. Hem wiert geant- 
woord, dat hy de revier in 't jaer van negenen S) wel gevonden 
hadde, maer hy was by de Oost Indische Commanie 6) van 
Amsterdam uytghemaeckt op haer kosten, ende dat het nu Mau- 
ritius revier was genaemt nae onse Prins van Oranje. 

Den 24 dito 7) lichten de Engelsman zijn ancker, en zeylden 
de revier op na 't Fort Oranje, daer dese Jacob Eelkes eertijdts 
voor Opper-Hooft ghelegen hadde voor de particulieren; doen 
ginck de Commandeur Wouter van Twiller al sijn volck in 't 
Fort vergaren voor sijn deur, lieten daer een vaetjen wijns komen, 
en liedt hem een glas volschencken, en riep: die de Prins van 
Oranje en hem lief hadde, sy soude hem dit nadoen, ende souden 
helpen bystaen van 't gewelt dat de Engelsman hem dede, die al uyt 
sijn gesight was en de revier opzeylden ; ende het volck begonnen 



i) 18 April 1633. 

2) Engelsch schip. 

3) Staat voor: wisselden. 

4) Dit is blijkbaar eene vergissing voor: Henry Hudson. 

5) 1609. 

6) Aldus voor: Companie. 

7) 24 April 1633. 



49 

hem altemael uyt te lachgen, want tot het vaetjen wijns wisten 
se wel raedt om datelijck uyt te drincken, want het was recht een 
dinck dat haer diende, al hadden der noch ses vaetjens wijns 
gheweest. Dan met de Engelsman wilde sij haer niet bemoeyen, 
seggende, het waren haer vrienden. Doen ick 's middaeghs met 
hem aen de tafel sat, doen seyde ick hem, dat hy groote mallig- 
heydt bedreef, nademael dat de Engelsman geen commissie en 
hadden om daer te varen, dan alleenigh een tol-briefjen uyt de 
tol konden (toonen) ^), dat hij daer soo veel vertolt hadde, ende 
met soo veel passagiers soude varen na Nieuw-Engelandt toe, maer 
niet in Nieu-Nederland, daerom sprack ick alst mijn saecke waer 
geweest, so wilde ick hem van 't Fort vandaen gheholpen hebben 
met boonen van acht pont ysers, en hadden hem de revier niet 
laten opzeylen, hadde hem liever de steert afghehouden, ghe- 
lycken hy seyde, dat hy een man uyt Engelandt was 2), Ende ick 
verhaelde hem als de Engelse ons eenige overdaed deden in Oost- 
Indien, dat wij weer toetasten soude, datje anders geen deegh 
met dat volck hebt, want sy soo hooveerdigh zijn van natuer, dat 
se meynen datter alles toekomt, ende waert mijn saeck, ick soude 
hem het schip de Sout-Bergh nasenden ende laten hem de revier 
weder afhalen, ende jaghen hem de revier uyt, totdat hy een 
ander commissie broghte als een tol- brief ken, dat se maer met 
hem spotten". 

Tot zoover het verhaal van David Pietersz. de Vries 3). De 
karakteriseering der Engelschen: „want sy soo hooveerdigh zijn 
van natuer, dat se meynen datter alles toekomt", is al zéér frappant. 
De houding van Wouter van Twiller was een blaam voor de 
West-Indische Compagnie. Eelkens profiteerde er van. Nadere 
berichten omtrent deze verwikkelingen vinden wij in de proces- 



i) Dit woord is in het reis-journaal uitgevallen. 

2) Zinspeling op eene oude overlevering, dat de Engelschen eertijds staarten hadden. 

3) Bij zijne terugkeer in het vaderland, vond De Vries zijn confrater met de andere 
Bewindhebbers overhoop liggen, aangezien De Vries twee a vier bevervellen had verhandeld, 
welk handels-privilegie de Compagnie toekwam. Hij geeft een kijkje op het leven van 
de Bewindhebbers zeggende, dat zij „tot Amsterdam anders niet hebben gedaen als tegens 
haer eygen schim te vechten (nl. door het stichten van koloniën te belemmeren), ende in 
de Kloveniers-Doelen de Rinsche wijn te drincken, de anderen mogten in Brazilien kruyt 
en loot waernemen, ende de Bewinthebbers Bachus-koegels(!), also jaer in jaer uyt haer 
negenthiende (sic) vergaderen. Alsoo wy met de Companie niet overeen koste komen, 
ende mijn confraters tot Amsterdam altemael Bewinthebbers waren, ende met haer con- 
fraters gestadigh om beusselinghe ende anderssins overhoop laghen; soo ben ick van 
haer gescheyde, siende dat het altemael maer schelmery was, waervan ick de reste in 
de pen liedt blijven", (blz. 119 en 120). 

4 



50 

stukken, waartoe deze kwestie aanleiding heeft gegeven. Toen de 
eerste poging van den Engelschman om verlof te krijgen de rivier 
op te zeilen was mislukt, stonden de onderhandelingen een dag 
vier of vijf stil. Eelkens begaf zich toen weder aan land en ver- 
zocht den directeur alsnog, hem in vrede de Noord-rivier op te 
laten gaan ; ging dit echter niet goedschiks, dan zou hij het kwaad- 
schiks doen, al kostte het hem zijn leven. Van Twiller beval nu, 
dat al het Engelsche scheepsvolk bij hem zou gebracht worden. 
In tegenwoordigheid van deze allen liet hij de vlag van den Prins van 
Oranje op het fort hijschen en drie schoten lossen ter eere van 
den Prins. Dit was echter louter vertoon, want toen Eelkens daarop 
een man naar het schip zond om de Engelsche vlag in top van 
den mast te brengen en drie schoten te lossen voor den Koning 
van Engeland, liet Van Twiller hem stilletjes begaan. Ook den 
handelaar zelven werd toegestaan naar boord te vertrekken. Zoc^ 
voer Eelkens onder het oog van een dronken troep Hollanders 
en een directeur, die voor gek speelde, op zijn schip „The WilHam" 
de Mauritius-rivier op. 

Is het wonder, dat deze directeur-generaal Wouter van Twiller 
later van allerlei dingen, inzonderheid van dronkenschap, werd 
beschuldigd? Kiliaen van Rensselaer mocht terecht wel aan dezen 
zoon zijner zuster, 23 April 1634 schrijven : „Overdenckt dese 
vermaninghe, ende hout my ten besten, dat ick U sulcx voor- 
schry ve, alsoo het U genoegh bekent is, niettemin soo is het 
noodich, om de memorie te ververschen : 

1 . Weest religieus ten aensien van Godt ende tot exempel van 
het volck. 

2. Weest matich ten aensien van U selven in spijs en dranck. 

3. Weest getrouw in uwe bedien inge, niemand verongelyckende.. 

4. Weest neerstich ende wacker in de uytvoeringe van Uampt 
ende officie. 

5. Weest voorsichtich in alle dingen ende met wat menschen 
ghy ommegaet. 

6. Weest nedrich als ghy verheven wort. 

7. Weest patientich als ghy verongelijckt wort. 

8. Vertrouwt op Godt als ghy besoght wordt. 

Hetwelcke soo doende sal een vloeck U in segeninghe ver- 
anderen ende de lasteringen tot eere gedyen. Amen, ^). 

De „fluyt" van Londen, „The William", voer intusschen met volle 

i) N. de Roever, Kiliaen van Eeusselaer en:., in Oud-HoUand, Jaarg. VIII, Bijl. G» 
blz. 272, 273. 



SI 

zeilen den Hudson op. Wouter van Twiller had echter geen rust; 
het begon hem te bekruipen, dat hij Eelkens zoo vrij baan had 
gelaten. Misschien was het „tafel-gesprek" met David Pietersz. de 
Vries ook wel een prikkel geweest om hem tot inkeer te brengen. 
Er diende iets te worden gedaan, om aan den handel van Eelkens 
paal en perk te stellen ; de Engelschman moest worden achtervolgd. 
Maar aan wien zou hij het kommando opdragen? 

Bastiaen Jansz. Krol was wel geen directeur-generaal meer, maar 
toch nog in Nieuw-Nederland. Wouter van Twiller verzocht hem 
dus om zich „ten dienste van de West-Indische Compaignie naert fort 
Orange wederom t' willen transporteren, om Eelkens den handel 
t' verhinderen" ^). Krol accepteerde dit voorstel en ging met een 
sloep soldaten en zeelui Eelkens achterna. Hij vond hem een half 
uur beneden het fort Oranje achter het „Casteels-eylant" in de 
Molenkil, waar hij reeds een tent voor den handel had opgeslagen. 
Zijn boot had hij recht „voor ende aen de wal" van het fort laten 
ankeren, om ook daar met de Indianen te kunnen handel drijven. 
Krol ging met zijn sloep in de Maquaas-kil liggen en sneed op 
die manier den Maquaas-stam de pas naar Eelkens af. Bovendien 
liet hij bij den Engelschman twee brieven bezorgen, waarin hem 
op last van Wouter van Twiller een verder verblijf in die streken 
werd verboden 2). Hontom, de kommies van het fort Oranje, toonde 
in dezen twee aangezichten. Hij deed zich voor als een getrouw 
dienaar der West-Indische Compagnie, maar heulde tersluiks met 
den vijand. Eelkens bezocht Hontom in het fort ; de kommies ging 
bij den Engelschman in zijn tent ten eten. Krol was den kommies 
dan ook geen gewenscht persoon; nauwelijks was hij hier gekomen, 
of Hontom liet hem zeggen, dat hij wel weg kon gaan, want dat hij 
het zelf wel kon regeeren 3). Krol stoorde zich aan de sommatie 
niet; hij nam de tent, de huiden en het schip van den Engelsch- 
man in beslag en transporteerde alles naar Manhattan. Van Twiller 
eischte alle, ongeveer 400, huiden voor de Compagnie op, doch stelde 
zich tenslotte toch met een deel tevreden. Eelkens wilde bewijzen dezer 
handelwijze in handen hebben en vroeg daartoe aan sommige Hol- 
landers, die dicht bij het fort woonden, hem van een geschrift te voor- 
zien, waarin over de handelingen van den directeur tegen den Engelsch- 
man melding werd gemaakt. Dit kwam aan Van Twiller ter oore. Hij 



i) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

2) J. R. Brodhead, Documents relative to the Colonial Sistory of the State of ^em- 
York, Albany 1856, Vol. i, p. 78. 

3) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

4* 



52 

liet aan de poort een placcaat aanslaan, waarin op straffe des doods 
verboden werd, den Engelschman eenig certificaat over zijn optreden 
af te geven. 

Het schip „The William" keerde zoo met groote schade naar Enge- 
land terug ; indien Eelkens niet belemmerd ware geworden zou hij, 
volgens getuigenis van hemzelven en zijne bemanning, voor een waarde 
van 4000 a 5000 pond sterling aan huiden mede naar huis hebben 
gebracht. De kooplieden, wien dit schip toebehoorde, leverden door 
middel van den Engelschen gezant een klacht in bij de Staten- 
Generaal, met verzoek om schade-vergoeding. De West-Indische 
Compagnie, door de Staten-Generaal ingelicht, ontzegde den eisch ; 
de zaak liep schijnbaar dood, toch was zij reeds het voorspel van 
de tragedie van 1664 ^). 

Bastiaen Jansz. Krol had gedurende zijn verblijf van eenige 
weken, aan het fort Oranje, ook over Hontom niet veel goeds 
gehoord. Hij was er zelf bij geweest, dat de generaal-overste der 
Maquaas, Saggodryochta, was gekomen om handel te drijven, maar 
Hontom ziende, terstond zijn vellen had opgepakt, zeggende: 
„die man is een schelm, ick wil met hem niet handelen". De 
wilden namen revanche voor al het kwaad hun aangedaan. Zij 
verbrandden het Compagnie-jacht „de Bever" en deelden aan Krol, 
die hun taal zeer goed verstond, mede, dat zij dien Hansjorissen 
Hontom „ter eerster plaetse, daer sy hem alleen souden connen 
becomen, doodsmyten souden". Krol waarschuwde den man nog, 
waarop hij ten antwoord gaf: „, dat de Maquaas haer beste moghten 
doen' ofte diergelycke redenen in substantien" '^). Krol keerde van 
het fort Oranje naar het fort Nieuw-Amsterdam terug. Hier werd 
hem kort voor zijn vertrek naar het vaderland, door een Mahicaansche 
wilde „Dickop" genaamd, de boodschap gebracht „dat alle de beesten 
ontrent het fort Orangie dootgesmeten waren". De kolonie Rens- 
selaerswijck had in hetzelfde lot gedeeld. De patroon had het 
vernomen. In zijne „Memorie", 25 November 1633 in de vergadering 
van XIX overgeleverd, spreekt Kiliaen van Rensselaer er over; 
donker ziet hij den toestand en de toekomst in. Hij zegt: „wat 
swaricheyt hy remonstrant hieraff te verwachten heeft kan lichtelijck 
affgenoomen worden, off dat sijn colonie door de wilden om 



i) Men vergelijke de proces-stukken van deze zaak afgedrukt in : J. R. Brodhead, Docu- 
ments relative to the Colonial Sistory of the State of Nem-York, Albany 1856, Vol. i, 
P- 71—81. Verder zie men: Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

2) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 



53 

den commis ») op 't fort Orangien te affronteeren sal geruïneert 
worden, ofte soo sulcx niet geschied door de wilden, sal hy commis 
selver sijn beste genoch daertoe doen. Soodat dese saecke soo 
staet, dat lichtelijck de gansche handelinge van 't fort Orangien 
voor de Compaignie sal verlooren worden, ende sijn, remonstrants 
colonie verdestrueert, sonder hoope van redres, waerinne noodt- 
wendig behoort versien te worden" 2). Het was geen gemakkelijke 
tijd voor Van Rensselaer. Zijn neef Van Twiller was als directeur- 
generaal een zwakkeling, de kommies op het fort Oranje, Hontom, een 
onverlaat en vijand der Indianen ; zijn eigen kolonie lag verwoest ; 
partijschappen in de kamer van Amsterdam maakten verdeeldheid 
tusschen Bewindhebbers en Patroons. Er was volharding en moed voor 
noodig, om van af de Keizersgracht te Amsterdam die nieuwe kolonie 
te blijven verzorgen. Verschillende patroons hadden het reeds opge- 
geven. Eere dezen pionier, dezen patroon van Rensselaerswijck ! 

De taak van Krol was afgeloopen. Toen de 20ste juü jg^^ 
aanbrak, lag Krol zeilree voor het vaderland 3). Over zijne reis 
weten wij verder niets; de berichten worden spaarzaam. In April 
1634 is hij in Nederland terug, want dan laat hij door middel van 
Kiliaen van Rensselaer bij Wouter van Twiller zijn beklag indienen, 
dat deze nog altijd zijne boeken achterwege heeft gehouden 4). 
Twee maanden later, 30 Juni 1634, ondergaat Bastiaen Jansz. Krol 
bij notaris Justus van de Ven, op verzoek van de patronen van 
Nieuw-Nederland, een verhoor, waarin voornamelijk vragen be- 
treffende zijne houding ten opzichte van Hontom en Eelkens worden 
gesteld. Dit interrogatoir, dat reeds aan Mr. N. de Roever bekend 
was, is in de bijlagen van zijne meer genoemde artikelen afgedrukt. 
Hij had waarschijnlijk een afschrift ervan in de Van Rensselaer- 
Bowier handschriften gevonden 5). Toen echter de Amerikaansche 
archivaris A. J. F. van Laer in 1908 deze collectie, in het Engelsch 
vertaald, uitgaf, was deze acte er niet meer in te vinden 6). Dit 
interrogatoir werd afgelegd voor Justus öf Joost van de Ven, notaris 
te Amsterdam. Ik achtte het dus niet onwaarschijnlijk, dat de oor- 



i) Hontom. 

2) N. de Roever, Kiliaen van. Eensselaer enz.., in : OudSoUand, Jaargang. VIII^ 
Bijl. A, blz. 63. 

3) Bijlage N°. 32. (30 Juni 1634). 

4) A. J. F. van Laer, Van Rensselaer Botvier Manuscripts, Albany 1908, p. 272 (23 
April 1634). 

5) N. de Roever, Kiliaen van Rensselaer enz., in: OudSolland, ]a.a.Tg. VIII Bijl. Hi 
blz. 287 — 289. 

6) A, J, F. van Laer, Van Rensselaer Botvier Manuscripts, Albany 1908, p. 302, n. 59. 



54 

spronkelijke minuut van dit stuk in de protocollen van dezen notaris 
nog zou te vinden zijn. Om hierin zekerheid te verkrijgen, wendde 
ik mij om inlichtingen tot notaris J. J. H. Verloop, den archivaris 
van het Notarieel- Archief te Amsterdam, Deze was aanstonds bereid 
mij een zijner klerken naar het Archief mede te geven, opdat ik 
daar zelf mijne nasporingen zou kunnen doen. Weldra zat ik dan 
ook van alle kanten omringd door grauw-gele stoffige folianten, 
met een stapel diergelijke vóór en om mij. Een mat April-licht 
viel over het kleine binnenpleintje; de loodkleurige ruitjes lieten 
juist genoeg door, om het oude schrift te kunnen ontcijferen. De 
lange rijen lijvige manuscript-deelen, dicht tegen elkander in de 
boekschelven aangevlijd, keken mij hoogst eerwaardig aan, als 
wilden zij blijven bewaren der tijden geheimen. Wie van ons nietige 
stervelingen wordt niet ontroerd bij den aanblik dezer monumenten, 
die spreken uit en over het grijs verleden! Niemand onzer heeft 
hare wording aanschouwd; wij gaan, maar zij blijven. 

Daar liggen zij dan vóór mij, enkelen dier velen, waarin het lief 
en leed der Amsterdamsche burgerij, in wettige acten is vastgelegd. 
De lederen sluit-bandjes van één, getiteld : „Notaris J. van de Ven, 
Anno 1634, Kast N,, N°. i", — Justus van de Ven bekleedde dit 
ambt van 1634 — 1666 — begin ik langzaam en voorzichtig los te 
wikkelen, als geldt het de doos van Pandora. Achterin vind ik al 
spoedig een klapper, (die echter niet bij alle notaris-protocollen 
aanwezig is, gelijk men mij mededeelde), een klapper, geschreven 
met die middel-eeuwsche rondbuikige letters, die iedere palaeograaf 
wel kent. Ik kijk natuurlijk niet eerst bij de K., want de Ouden 
registreerden naar den voornaam ; ik loop dus het rijtje van de B. 
af. Ik vind niets. Dan het rijtje van de S. ; hij heette immers ook 
wel „Sebastiaen". Ik vind niets. Nog eens inspecteer ik de C, 
dan de K. Ik vind niets. Dan den geheelen klapper nog maar eens 
doornemen. Ik vind niets. Ook het opslaan bij de data biedt moeilijk- 
heid. Dus het handschrift dan maar troosteloos weder bij zijne vaderen 
verzamelen. In géén geval. Dat heeft Clio haren zonen anders 
geleerd. Blad voor blad, recto en verso, en weer recto en verso, 
gaan onder de oogen door, tot zij zich op folio 151 recto gretig 
vastklemmen aan : „Interrogatorien etc. om daerop t' hooren, ende 
t' examineren den persoon van Bastiaen Jansen Crol". Bij een 
dergelijke ontdekking klopt het hart sneller, schiet het bloed naar de 
wangen, doorstroomt een gevoel, gelijk de oude zeevaarders moeten 
gehad hebben, als zij van den voorsteven hunner kielen de eerste 
donkere stroke van het lang gezochte land aanschouwden. 



55 

Dit interrogatoir nu, om tot de zaken terug te keeren, is dus te 
vinden in den band getiteld: „Notaris J. van de Ven, Anno 1634, 
Kast N., N°. I, fol. 15 F — isó"^". Het is door Krol zelf onder- 
teekend en komt ten deele overeen met de copie, waarschijnlijk 
ten behoeve van Van Rensselaer gemaakt, en door N. de Roever 
teruggevonden en uitgegeven. De Roever's uitgave van deze zoo 
belangrijke bron voor de kennis van Krol's levensgeschiedenis, 
wijkt in sommige feiten, maar vooral in de spelling der woorden, 
sterk af van de oorspronkelijke minuut, die ik in Bijlage N°. 32 
van dit geschrift heb afgedrukt ^). 

Ongeveer dezelfde vragen werden den 14^" Juli 1634, aan den 
gewezen kommies van het fort Oranje, Dirck Cornelissen Duyster, 
voorgelegd. Op de vraag: „in wat qualiteyt ende hoe langh hy 
gerequireerde in dienst van de West Indische Compaignie geweest 
is in Nieu-Nederlant", verklaarde hij: „„int geheel acht en 
derttich maenden in Nieu-Nederlandt geweest te sijn, namelijck 
achttien maenden in qualiteyt als onder-commis ende daernaer 
omtrent twintich maenden als opper-commis ende doorgaens op de 
Noort-revier aent fort Oraignen gewoont te hebben"". Dat Hontom 
den overste „de manlijckheyt uytgesneden en soo gedoot hadde", 
bekende hij van Albert Dideringh, den wachtmeester van het fort 
Oranje, te hebben gehoord. Op de vraag: „off Hans Jorissen 
Hontom wederom niet dickwils in de tent van Jacques Eelkens te 
gaste is geweest" verklaarde hij: „„wel te weten, dat Hans Jorissen 
Honthom eenen romer wijns met Jacques Eelkens heeft gedronken, 
doch niet te weten, dat hy wederom by hem te gaste is geweest"". 
Verder levert dit interrogatoir van Duyster niets nieuws meer 



1) Het lijkt mij toe, dat het interrogatoir voor De Roever niet nauwkeurig is 
getransscribeerd. Somtijds schijnt het, of hij de vragen en antwoorden met zijne eigen 
woorden heeft weergegeven. Bovendien is de opeenvolging van de vragen in de oor- 
spronkelijke minuut logischer, dan in het afschrift van De Roever. In vraag 3 staat bij 
De Roever: „of er geen misverstand rees tusschen hem en Hontom"; in de minuut „off 
niet naderhant misverstant geresen hadde tusschen de voorn, natiën aldaer ter eendre, ende 
gemelte Hans Jorissen ter andre syden". Men ziet, dat wijkt naar spelling en inhoud eenigs- 
zins af. Vraag en antwoord 4 ontbreekt bij De Roever. Ook vraag en antwoord 7 en 8 
wijken belangrijk af, vergeleken met vraag 6 bij De Roever. Volgens de minuut komt 
Eelkens 4 maanden na Hontom in N. Nederland en omtrent i maand, nadat Hontom 
kommies op het fort Oranje was, bij genoemd fort aan. In het stuk van De Roever komt 
Eelkens i maand na Hontom in N. Nederland en over het andere wordt niet gesproken. 
De Roever zet in vraag 9 „voor aen den wal" ; hier staat in vraag 12 „voor ende aen 
de wal". Bovendien is de nummering der vragen verschillend. Verder ontbreekt bij 
De Roever, de verklaring van den notaris, die het interrogatoir inleidt en afsluit. 



56 

op ^). Ik heb het vervolg der protocollen van dezen notaris nog 
doorgezien, maar niets belangrijks meer over Krol gevonden. 

Krol was in Nederland, maar kon zijn nieuwe vaderland niet 
vergeten; voor de vierde maal aanvaardt hij de reis naar Nieuw- 
Nederland. In het jaar 1638 treffen wij hem weder aan als kommies 
van het fort Oranje. Kiliaen van Rensselaar schrijft aan één 
zijner kolonisten Jacob Albertsz. Planck, dat hij „bastiaen Janse 
Croll, commis opt fort Oranje" hartelijk van hem groeten moet. 
Des patroons wensch is, dat men met elkander in vrede leve 2). 

Wederom twee jaar later, 29 Mei 1640, hooren wij van Krol 
in een brief van Van Rensselaer aan Willem Kieft, den opvolger 
van Wouter van Twiller. De patroon vraagt om inlichting. Hij 
heeft vernomen, dat Krol op Kieft's bevel, de vlag van Van 
Rensselaer, die uithing als teeken van gezag en jurisdictie, van zijn 
huis in Rensselaerswijck naar beneden heeft laten halen. Hij ver- 
zoekt, bepleitende zijne patroons-rechten, dat hem de verbods-order 
gezonden worde, opdat hij de zaak met de Bewindhebberen zal 
kunnen bespreken. In dezen zelfden brief klaagt Van Rensselaer 
er over, dat de handel in huiden achteruitgaat. Vroeger kwamen 
er 5000 a 6000 in; waar en bij wien was de schuld te zoeken? 
Misschien lag het wel aan Krol, die niet genoeg voor de huiden 
betaalde, waardoor hij den Engelschen aan de Versche Rivier 
de bevers in handen speelde en den handel bedierf 3). 

Weer twee jaar later, 11 September 1642, schrijft Kieft aan 
Van Rensselaer, dat de Maquaas-Indianen een Fransche kerk bij 
Lake Champlain hadden genomen, één Franschman gedood en drie 
als gevangenen hadden weggevoerd. Aan Krol had hij bevel gegeven 
maatregelen tot loskooping der gevangenen te nemen. Deze oorlog met 
de wilden was de oorzaak van den slechten handel in pelterijen ge- 
weest 4), In 1643 is Krol nog in Nieuw-Nederland, want dan wordt 
hem graan geleverd s). Dit is het laatste bericht, dat ons over zijn 
verblijf in Nieuw-Nederland bereikt. Wij verliezen den loop zijner 
levensgeschiedenis uit het oog; de stroom zet zijn koers voort 



i) Protocol: „Notaris J. van de Ven, Anno 1634, Kast N., N°. 2, fol. 30' — 21'. — Als 
getuigen traden Johannes van der Hulst en Willem Wachtendonk op ; het werd mede door 
Dirck Cornelissen Duyster en den notaris onderteekend. 

2) A. J. F. van Laer, Van Rensselaer Bowier Mantf scripts, Albany 1908, p. 415. 
(10 Mei 1638). 

3) L. c, p, 474, 475, 483, 484 (29 Mei 1640). 

4) L. c, p. 625 (11 Sept. 1642). 

5) L. c, p. 715, n. 21, 22 (9 Aug. 1644;. 



57 

onder den grond, om echter nog éénmaal aan de oppervlakte te 
verschijnen en zich aan den speurenden blik te vertoonen. 

De protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad schenken 
ons over zijn verder leven nog eenig licht. Krol wordt namelijk 2 1 Sep- 
tember 1645 voor den kerkeraad gedaagd in zake de,, censuramorum"; 
om redenen ons niet nader bekend, was hem, „welcke siecken- 
trooster ende commandeur opt fort Manhattes is geweest", het 
Avondmaal des Heeren ontzegd. De „broeders vant quartier", 
met andere woorden, de ziekentroosters der stad Amsterdam, die 
opzicht hadden over de wijk, waarin Krol destijds woonde. Jan 
Marcussen cum socio, hadden „na de saecke vernomen" en brachten 
„goet rapport van sijn tegenwoordich comportement in". De leden 
van den kerkeraad vertrouwden de zaak echter nog niet ; zij hadden 
nog „haer bedencken op sijn persoon". Daarom werden genoemde 
broeders er nog eens op uit gezonden, om naar zijn gedrag te 
informeeren ^). Alzoo werd gedaan. De broeders van het quartier 
stelden een scherper onderzoek in, doch verklaarden „niet anders 
verstaen te hebben als alles goets". Krol werd dus, 28 September 
1645, weder tot de Tafel des Heeren toegelaten 2), 

Nog een drukkers-merk onder op eene oude prent, brengt ons ten 
slotte zijn naam in herinnering. Op het Prentenkabinet in het Rijks- 
Museum te Amsterdam bevindt zich eene spotprent op de binnen- 
landsche twisten in Holland, die in het jaar 1652 de pogingen tot ver- 
zoening met Engeland verijdelden. Deze plaat stelt twee mannen voor, 
die bezig zijn een vat ineen te kuipen, waarop het wapen van den 
Hollandschen Leeuw is afgebeeld ; naast het vat zit de Hollandsche 
Leeuw zelf, die de hoepels er weder afbreekt. Onder de prent staat 
een vers van 8 vierregelige coupletten van J. de Mol, beginnende : 
„Wat wil deze kuiper maken ?". Onder het vers bevindt zich de naam 
van den persoon, bij wien deze prent is uitgegeven. Wij lezen 
daar: „Tot Middelburg, by Jan Bastiaansz. Krol, anno 1652". 
Hoogstwaarschijnlijk is dit een zoon van Bastiaen Jansz. Krol ge- 
weest, die zich als uitgever te Middelburg heeft gevestigd. Verdere 
nasporingen betreffende dezen boekdrukker hebben echter niets 
naders meer opgeleverd 3). 



i) Bijlage N°. 36. {21 Sept. 1645). 

2) Bijlage N°. 37. (28 Sept. 1645). 

3) Zie over deze spotprent : F. Muller, De Neder landsche Geschiedenis in Flaten, Amst, 
1863, Dl. I, blz. 290, n°. 2034. — Over den uitgever Jan Bastiaansz. Krol raadpleegde ik 
de volgende werken : A. M. Ledeboer, De boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in 
Noord-Nederland, sedert de uitvinding van de boekdrukkunst tot den aanvang der negentiende 



58 

Het kan niet worden ontkend, dat Bastiaen Jansz. Krol in het 
kerkelijk en maatschappelijk leven van Nieuw-Nederland een 
belangrijke rol heeft gespeeld. Twintig jaren lang, van 1624 tot 
1644 heeft hij dit land gediend; zeker is hij achtmaal denAtlan- 
tischen- Oceaan overgestoken. Zijne promotie van kommies op het 
fort Oranje tot kommandeur van Nieuw-Nederland had hij onge- 
twijfeld ook te danken aan de takt waarmede hij tegen de Indianen 
optrad. Hij sprak hun taal en had hun vertrouwen gewonnen. De 
onderlinge twisten in de kamer van Amsterdam hebben hem in menig 
opzicht veel schade gedaan; de vriendschap met Kiliaen van 
Rensselaer is hem ten goede geweest. 

Waar moeten wij zijn graf zoeken? Is hij nedergelegd in den 
Hollandschen grond, of wel op een stil plekje van het Amerikaansche 
woud aan den oever van den Hudson? Heeft ook soms de zee 
hem, gelijk zoovele andere kolonisten, als haar tol opgeëischt ? Wij 
moeten het antwoord schuldig blijven; het verdere verloop zijner 
levens-historie is alsnog voor ons verborgen. Zijne gedachtenis zal 
echter in zegening zijn bij allen, die zich in den geest kunnen 
verplaatsen naar dat tijdperk van Holland's handel en Holland's 
glorie, toen de eenvoudige cafFawerker van de Bloemgracht, Bastiaen 
Jansz. Krol, onder de vlag der West-Indische Compagnie naar 
Nieuw-Nederland voer, om als krankenbezoeker door den Amster- 
damschen kerkeraad uitgezonden, de banier der „Nederduytsche Gere- 
formeerde Kercke" te planten in den Noord- Amerikaanschen grond. 



eeutB, Deventer 1872. — G. K. Nagler, Neues allgemeines Kunst Ier-Lexicon, München 1835. — 
Ulrich Thieme und Felix Becker, Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler von der 
Antike his zur Qegenwart, Leipzig 1907. CA. — Bickham). — Adam Bartsch, Lepeintre graveur^ 
Vienne 1803. — J. E. Wessely, Anleitung zur Kenntniss und zum Sammeln der Werke des 
Kunstdrïtckes, Leipzig 1886. In de „Dritte Abtheilung, Die Bibliothek des Kunstsammlers, 
S. 282 — 340" vindt de kunst-historicus eene opgave van de hulpbronnen, die bij een 
onderzoek goede diensten kunnen bewijzen. Hierin eveneens een opgave van : „Biographische 
Werke, Kunstverlags-Adressen, Verlags-Verzeichnisse und Kunst-Auctionen (S. 295 — 340)". 
Alfred von Wurzbach, Niederldndisches Künstler- Lexikon^ Wien und Leipzig 1906. Krol's 
naam komt niet in deze werken voor; hij is dus geen boekdrukker van beteekeniSp 
maar een klein uitgevertje in Middelburg, geweest. 



BIJ HET KAARTJE VAN NIEUW-NEDERLAND. 



Het kaartje van „Nieu Nederlant", dat in dit geschrift voor het eerst 
wordt uitgegeven, is op de oorspronkelijke grootte naar het origineel 
gereproduceerd. Het maakt deel uit eener grootere kaart, die getiteld is : 
,^Paskaert van Guinea, Brasilien en West-indien, f Amsterdam. Gedruct 
by Willem Jansz. Blauw in de Sonnewyser^^ Deze is 72.5 c.M. lang en 
87.5 C.M. breed en in kleuren uitgevoerd. Het eenige exemplaar dezer 
paskaart, dat waarschijnlijk nog bestaat, werd in de : „Catalogus Geographie- 
Voyages, Amst. 1910", door Frederik Muller en Co., onder N°. 330, 
voor 500 gld. te koop aangeboden. Thans berust het op het Geografisch 
Instituut te Utrecht, waar eene fotografische opname voor mij werd 
gemaakt ^). 

In de beschrijving dezer kaart, gewaagt Frederik Muller van hare 
buitengewone zeldzaamheid en bijzondere wetenschappelijke waarde, met 
deze woorden: „Cette carte de Blaeu, non mentionnée par P. J. H. Baudet 
dans sa monographie sur Blaeu, ni dans des catalogues, est probablement 
unique. C'est sans doute une des plus importantes cartes publiées en 
Hollande au XVII^ siècle: Ie point de départ de la cartographie hol- 
landaise des cótes de TAmérique. Il existe une copie de cette carte 
a Tadresse de J. A. Colom, et avec la date de 1639. Nous en avons 
possédé un exemplaire incomplet; c'est Ie seul, que nous en avons jamais 
rencontre. On sait que Blaeu se plaint des copistes de ces cartes, parmi 
lesquels il cite Colom". 

Op deze kaart van W. Jz. Blaeu ontbreekt de dagteekening. Wij kunnen 
dus niet met zekerheid zeggen, wanneer zij door hem is vervaardigd; 
dit moet echter, na hetgeen betreffende Colom is gezegd, vóór het jaar 
1639 geweest zijn. Bovendien vertoont zij geen geringe overeenkomst 
met de „West-Indische Paskaert", die door Anthony Jacobsz. in 162 1 is 
ontworpen, en door John Romeyn Brodhead in 1856 in fac-simile is 
uitgegeven =). Mogen wij werkelijk betrekking tusschen beide aannemen, 
dan heeft Jacobsz. de kaart van Blaeu gecopiëerd en aangevuld. In dit 



1) Een woord van hartelijken dank breng ik aan Prof. J. F. Niermeyer en den heer 
J. F. van Someren, bibliothecaris der Universiteits-Bibliotheek te Utrecht, voor de toe- 
stemming en hulp mij bij de uitgave dezer kaart verleend. 

2) J. R. Brodhead, Documents relative to the ColonialEistoryoftkeStateofNew-York, 
Albany, 1856, Vol. I, tegenover het titelblad. 



6o 

geval kunnen wij de vervaardiging van het origineel van Blaeu nog vóór 
het jaar 162 1 stellen. ^) 

De geografische gesteldheid van Nieuw-Nederland, die ons gereproduceerd 
kaartje weergeeft, verplaatst ons naar de jaren 1614 — 161 7. Het fort 
Nassau aan de Mauritius-rivier is nog in wezen. Dit fort nu werd in het 
jaar 1614 gebouwd en geraakte omstreeks het jaar 1617 in verval. Het 
fort Oranje en de kolonie Rensselaerswijck, die later aan deze rivier 
werden gesticht, zijn nog niet bekend. Redenen waarom wij in dit kaartje : 
„Nieuw-Nederland in de jaren 1614 — 1617", voor ons zien. 



i) Vgl. P. J. H. Baudet, Leven en werken van Willem Jans:. Blaeu, Utr. 1871. 
Enkele maanden later verscheen hierop een : Naschrift van denzelfden schrijver. — Blaeu 
leefde van 1571 — 1638. 



BIJLAGEN 



1. COPIE-BOEK VAN DEN KERKERAAD VAN AMSTERDAM, 

1589— 1635 '). 

fol. i"": Sine dato. — Een personen-register. (De rechter- 

bovenhoek ontbreekt en is door wit papier vervangen). 
„ i": Sine dato. — Blanco. 

(fol, i^) „ 2y'. 27 Nov, 1592. — Copie van een schrijven door den 

kerkeraad van Amsterdam over het beroep van 
D. Lubertus Traxinus aan de „dienaeren des 
Woorts ende ouderlingen Jesu Christi van Suyd- 
Hollant nu ter tijt vergaedert int Princenhoff tot 
Leyden" gezonden. 

(„ 2^ ,, 3"": 24 Mei 1589 (stilo vet.) — Over de „clausel van 

stilswigen". 

(„ 2'') „ 3': 20 Juli 1589 (stilo novo). — Copie van Attestatie 

aan Albert van der Heyden. 

(„ 2') „ 3^: 18 Sept. 1591 (stilo novo). — Copie eener missive 

van de classis van Amsterdam over het beroep van 
D. Gerardus Ravenstein naar Weesp. 

( » 30 » 4'': 3 Oct. 1591 (stilo novo). — Copie van een schrij- 

ven over het beroep van D. Gerardus Ravenstein. 

(« 3^ 5) 4^: 3 Oct. 1592. — Over D. Lubertus Traxinus. (Het 

handschrift is zeer verbleekt). 

(„ 4I) „ 5^: Sine dato. — Copie van een brief van den kerkeraad 

van Amsterdam aan D. Menso Altingius over den te 
Groningen in de gevangenis zittenden D. Stephanus 
Nicolai. " 

( „ 4'') „5^: 2 Nov. 1593 (stilo novo). — Copie van een brief 

van de classis van Amsterdam aan den gevangen 
broeder D. Stephanus Nicolai. 



i) Dit „copie-boek" berust thans in het Classicaal Archief van Amsterdam. Het is in 
menig opzicht belangrijk; daarom geven wij het hier in regest-vorm uit. De voor ons 
onderzoek noodige missiven of instructiën publiceeren wij volledig. Het valt te betreuren, 
dat dit H.S. veel van den tand des tijds heeft te lijden gehad. — Er is eene dubbele 
pagineering in aangebracht; de oudste plaatsen wij tusschen haakjes. 

Bij de uitgave der bijlagen zijn de bekende regels van het Historisch Genootschap 
gevolgd. In de spelling der woorden, zelfs van eigennamen eener zelfde akte, treft men 
eene zoo groot mogelijke vrijheid aan. Wij hebben ons echter aan den origineelen tekst 
gehouden. 



(fol. 


SO fol. 6': 


(. 


5;) ., 6- 


(« 


5^) - 6^1 


{„ 


60 „ 7M 



IV 

28 Juni 1593. — Copie van eene missive aan den 
baljuw van Muiden over D. Stephanus Nicolai. 
10 Dec. 1593. — Copie van een schrijven van den 
kerkeraad van Amsterdam aan D. Menso Altingius 
betreffende D. Stephanus Nicolai. 
10 Dec. 1593. — Copie van eene missive van 
den kerkeraad van Amsterdam aan D. Andreos 
Theodorici, predikant te Enkhuizen, over den ge- 
vangen D. Stephanus Nicolai. 

(„ 6;) „ 7^: 27 Jan. 1594. — Copie van eene missive van den 
kerkeraad van Amsterdam, aan D. Menso Altingius 
over D. Stephanus Nicolai. 

( j, y') „ 8': 14 Febr. 1594. — Copie van den beroepsbrief 
door den kerkeraad van Amsterdam aan D. Antonius 
Tysius, gezonden. 

/ j y'N jj 8M 13 Jan. 1598. — Copie van het verslag eener 

(„ lo^') „ II' )' samenspraak tusschen den kerkeraad van Amsterdam 
en Goosen Vogelsanck „over een seker boexken", 
in tegenwoordigheid van schout en schepenen, op 
het stadhuis gehouden. 

(„ 10^') ,, 11': Sine dato. — Blanco. 

(„ 10"') „ 12": 13 Jiioi 1598. — Copie van een schrijven der 
Martinisten aan D. Petrus Plancius en Roeloff 
Egbertsz. te Amsterdam. 

(„ 10"'') „ 12"! 3 Sept. 1598. — Copie van het antwoord aan den 

( lo"'') „ 13'!' „eersamen, wijsen, discreten H, Adolpho Vischer mit 
zyne Geassocieerden, die haer seggen te zijn van die 
Ausburghse Confessie binnen Amsterdam" gezonden. 

(„ II') „ 14'": 13 April 1601. — Copie van insti-uctie voor Barent 
Jansz,, die als krankenbezoeker op de schepen naar 
Oost-Indië zal varen. 
Zij luidt woordelijk als volgt: 
„Copye. 

Alsoo nodich is bevonden, dat op den schepen 
varende naer Oost Indien eenighe personen worden 
verordineert om yet goets uut Godes Woort ofte 
andere boecken van gereformerde leeraren onder- 
wijlen voor te leesen, ende den persoonen die op 
d'selve schepen in kranckheyt souden mogen vallen 
in haere kranckheyt te vertroosten, ende Barent 
Jansz. van Amsterdam daertoe by den Bewindt- 
hebbers van de Oost Indische vaerte is versocht 
ende bewillicht. Opdat dan de voorsz. Barent Jansz. 

i) Er zijn in dit Pi.S. drie folio's als „lo'' gepagineerd. 



V 

daertoe behoorlycke authorisatie soude mogen 
hebben, heeft de kerkenraet deser stede uyt last 
onses classis van Amstelredam goetgevonden, als 
kranckbesoecker te ordineeren den voorseyden Barent 
Jansz,, tsy binnen sijn scheepsboorte ofte in andere 
schepen van de vlote, daer hy versocht zal mogen 
worden. Maer opdat de voorsz. Barent Jansz. mach 
weten wat eygentlycken in desen sijn laste sal sijn 
ende waernae hy hem sal hebben te reguleren, sal 
hy hem houden nae tgeene hiernae volcht: 
In den eersten sal hy alle morgen ende avont de 
gemeene gebeden doen. 

Ten anderen sal hy oock die gebeden doen voor 
ende nae den eeten. 

Ten derden sal hy versocht ofte des noot sijnde, 
alle den krancken vlytich onderwysen ende ver- 
troosten nae gelegentheyt der saecken. 
Ten vierden sal hy met Godes Woort int particulier 
vermanen dengeenen die alsulcke vermaningen sullen 
begeeren ofte van nooden hebben. 
Ten laetsten sal hy te gelegender tijt uyt Godes 
Woort offte eenige andere boecken van de gerefor- 
meerde leeraren een capittel ofte sermoen mogen 
voorlesen. 

Alle welcke saecken die voorscreven Barent Jansz. 
neerstich ende opt stichtelijckste in twerck sal stellen, 
sonder hem yets anders aen te nemen, dat het 
ampte van een predickant aengaet. Als daer is de 
bedieninge van Godes Woort ende het gebruyck 
der heyliger sacramenten, tsy onder wat pretext 
hetselve soude mogen sijn. Aldus gedaen in onsen 
kerckenraet, desen derthienden April sestien hondert 
ende een. Ten oirconde tsegel onses kerckenraets 
hier onder gedruckt ende by eenigen onderteyckent. 
By laste onses kerckenraets". 
( fol. II') fol. 14'': 13 April 1601. — Copie van instructie voor kranken- 
bezoeker met authorisatie om te doopen, verleend aan 
Philips Pietersz., die op de schepen naar Oost-Indië 
zal varen. Zij luidt woordelijk als volgt: 
„Copye. 

Alsoo noodich is bevonden, dat op de schepen 
varende naer Oost Indien eenge persoonen worden 
geordineert vant scheepsvolck yet goets uyt Gods 
Woort ofte andere boecken van de gereformeerde 
leeraren onderwijlen voor te dragen, ende den 



VI 

krancken onder denselven volcke in haer kranck- 
heyt te vertroosten. Ende Philips Pietersz. daertoe by 
de Bewindthebbers van de Oost Indische vaerte is 
versocht ende verwillicht. Opdat dan die voorsz. 
Philips Pitersz. (sic) daertoe behoorlycke authori- 
satie soude mogen hebben heeft de kerkenraet deser 
stede Amstelredam uyt laste haeres classis goet ge- 
vonden als kranckebesoecker ende die tvolck uyt 
Godes Woort somtij ts eenige vermaningen soude 
mogen doen den voorseyden Philips Pitersz. te 
ordonneren. Maer opdat de voorsz. PhiUps Pietersz. 
mach weeten, hoe verre sijn laste hierin sal strecken 
ende waarnae hy hem eygentlycken sal hebben te 
regeleren (sic), wort hem by desen belast hem te 
houden ende te dragen nae tgeene hier volcht: 
In den eersten sal hy alle morgen ende avont de 
gemeene gebeden doen. 

Ten anderen sal hy oock de gebeden doen voor 
ende nae den eeten. 

Ten derden sal hy versocht ofte des noot sijnde 
alle die krancken binnen sijn scheepsboort ende 
daert hem anders gelegen sal sijn vlytich onder- 
wysen ende vertroosten nae gelegentheyt der saecken. 
Ten vierden sal hy met Godes Woort int particulier 
vermanen dengeeuen die alsulcke vermaningen 
sullen begeeren ofte van nooden hebben, 
(fol. II') fol. 14": Ten vijfden sal hy te gelegender tijt uyt Gods Woort 
eenige vermaninge mogen doen tot onderwysinge, 
berispinge ende bestraffinge van den volcke, naedat 
de saecken sullen vereysschen. 
Ten laetsten oft moecht gebueren op deese reyse dat 
yemant onder den volcke gevonden werde, die in 
sijn jonckheyt niet gedoopt waere ende door onder- 
wysinge in sijn harte geslagen sijnde ende oogen- 
schijnlycke beteringe sijns levens betonende, den 
doope ernstelycken als een oprecht lithmaet Jesu 
Christi, insonderheyt kranck sijnde, mochte begeeren 
onder vaste beloefte, dat hy voortaen als een oprecht 
Christen sijn leven wilde aenstellen, sal hy in dien 
gevalle, alsulcken persoone (doch vooral wel versekert 
sijnde dat hy in sijn jeucht niet gedoopt is) in een 
wettige vergaderinge ende nae behoorlycke vercla- 
ringe van den inhoudt ende het rechte gebruyck in ^) 



i) In margine staat: van. 



VII 

den H. doope mogen doopen, mits aenteecke- 
nende de naeme van alsulcken persoone, ende die 
plaetse sijnder regidentie (sic) als hy te huys is, 
omme met lief wedergecomen sijnde, dselve aen 
den kerkenraet over te leveren. 
Alle welcke saecke de voorscreven Philips Pitersz. 
met sticht ende opt stichtelijckste int werck sal 
stellen, sonder hem yets anders aen te nemen tsy 
onder wat pretecxt tselve soude mogen sijn. Aldus 
gedaen in onsen kerckenraet desen derthienden 
April sestien hondert ende een. Ten oirconde tsegel 
onses kerkenraets hier onder gedruckt ende van 
eenigen van ons met haer namen onderge- 
screven. 

By laste des kerkenraets." 

( fol. Il') fol. 14": ïi Ju^i 1601. — Copie van den beroepsbrief door 
den kerkeraad van Amsterdam aan D. Wernerus 
Helmichius, gezonden. 

( 12'') I'"': ^ April 1606. — Copie van instructie met recht 

om te doopen, gegeven aan Lambert Heindrickssz. 
van Zutphen, varende als krankenbezoeker naar 
Oost-Indië. 

Plier onder: „Den 29 Augusti 1619 is gelycke 
instructie, van woorde te woorde (als de bovenscr. 
copie ludende) medegegeven (mutato nomine) aan 
Michiel Seroijen van den Briele". 

^ 12'') 11;': 21 (?) Juli 1609. — Copie van den beroepsbrief door 

den kerkeraad van Amsterdam aan D. Abrahamus 
a Dorislaer, gezonden. 

( iv) ló': 21 Juli 1609. — Copie van eene missive van den 

kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Enkhuizen in zake het beroep op 
D. Abrahamus a Dorislaer, uitgebracht. 

( 1^") 16'': 28 April 1610. — Copie van den beroepsbrief door 

den kerkeraad van Amsterdam aan D. Johannes 
Sylvius gezonden, toen D. Lucas Ambrosius pre- 
dikant in de gasthuiskerk, als predikant „in den 
ordinaren dienst der Statkercken", werd be- 
roepen. 

( 14'') „ 17'': 29 April 1610. — Copie van eene missive van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen te Sloten, betreffende D. Johannes 
Sylvius, die als predikant in de gasthuis-kerk is 
beroepen. 



(fol. 


14^) 


fol. 17' 


(. 


X50 


„ 18' 


(» 


150 


„ 18- 


(. 


15^) 


„ 18- 



VIII 

23 Dec. 1610. — D. Casparus Conradi Wiltens wordt 
met instructie als predikant naar Oost-Indië ge- 
zonden i). 

23 Dec. 1610. — Willem van Langenhove wordt met 
instructie als schoolmeester naar Oost-Indië gezonden. 
23 Maart 161 1. — D. Jan Merttensz. die als predikant 
naar Oost-Indië zal gaan, wordt door den kerkeraad 
bevestigd en van instructie-brief voorzien. Over den 
doop van onechte kinderen en bastaarden. 
31 Maart i6ii. — Gillis Hendricxsz. wordt als 
schoolmeester naar Oost-Indië gezonden. 
„ 18*: Sine dato. ■ — Origineele brief van Jan Maertsoon 
Campen aan den kerkeraad van Amsterdam over 
eene Maleische vertaling van een formulier om te 
doopen, trouwen, „gemeene" gebeden te doen enz. 
Over Frederijck de Houtman den gouverneur tan 
Amboina. 

(„ 16') „ 19'': 8 Dec. 1611. — Copie van instructie voor Josia 
Bacx als ziekentrooster naar Oost-Indië. Hetzelfde 
voor : Abraham van Loo (met recht om te doopen) ; 
Heyndrick Lucassen, Pieter van Santen, Jan Her- 
mansz. (1616), Joseph Daniels (ig Martii 1620). 

(„ 16") „ 19' ) 8 Dec. 161 1. — Copie van instructie voor Lubbert 

(„ 17'") „ 20"^ ' Claessz. als schoolmeester naar Oost-Indië 2). 

(„ 17'') „ 20': 3 Juli 1612. — Copie van instructie voor Meynart 
Assueri, als krankenbezoeker naar Guynea, met 
authorisatie om te doopen. 

(„ 17') „ 20^: 12 Juli 161 2. — Over de houding van den kerkeraad 
van Amsterdam in zake Cornelius Geselius van 
I< otterdam. 

30 Maart 1623. — Copie van instructie voor Wessel 
Gerryts als krankenbezoeker naar Oost-Indië. 

(„ 18'') „ 21': 1616 — 1622. Opsomming van de krankenbezoekers, 
die in dezen tijd naar Oost-Indië zijn gevaren. 

(„ 18'') „ 21' I.... Mei 1613. — Dte kerkeraad van Amsterdam 

(„ 19') „ 22' ' doet verslag aan de classis van Amsterdam, dat men 
als krankenbezoekers heeft aangenomen : Heyndrick 
van Soust, Meynart Meynartsz. en Jan Jansz., waar- 
van de eerste ook bij den kerkeraad is geauthoriseerd 
den doop te bedienen. Verzoek om de beide eersten 
zoo mogelijk tot proponent te bevorderen. 

i) Afgedrukt bij: J. A. Grothe, Archief voor de ffescJdedenis der Oude Hollaiulsche 
Zending, Utr. 1890, Dl. V, blz. 10 — 12. 

2) Afgedrukt bij: J. A. Grothe, ArcJdef, Dl, V, blz. 13 en 14. Hij noemt het abusie- 
velijk „een instructie voor een ziekentrooster voor Oost-Indië". 



IX 

(fol. 19^) fol. 22'': Sine dato. — Blanco. 

^,2^ Nov. 161Q. — Copie van eene missive van 

I IQ ) 22 • ^J ^ ■*■ 

^ " ^*''' " *' ' den kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten 
en ouderlingen van Harderwijk in zake het beroep 
van D. Allardus van Mehen. 

(„ 19*'') „ 22*'': 30 Juli 1620. — Copie van eene missive van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de synode van Gel- 
derland te Zutphen, betreffende het beroep van D. 
Allardus van Mehen, predikant te Harderwijk. 

(„ 20'") „ 23'': Sine dato. — Copie van een brief aan de provin- 
ciale synode van Zuid-Holland te Gouda (ter Goude), 
in zake het beroep van D. Eleazar Swalmius, 
predikant te Schiedam. 

(„ 20') „ 23": 22 Sept. 1620. — Copie van eene missive van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Schiedam, betreffende het beroep 
van D. Eleazar Swalmius. 

/ --*r\ „,*r. 2 Dec. 1619. — Copie van instructie voor Dierick 
Pietersz. Drystrang, die als predikant naar Gumea 
wordt gezonden. 

(„ 21J) „ 24;: 28 Sept. 1620. — Eenige Hoogduitsche predikanten 
zullen worden aangesteld voor den dienst onder de 
vluchtelingen, die zich vooral uit Aken, Keulen en 
Hamburg, te Amsterdam gevestigd hebben. Copie 
van den beroepsbrief door den kerkeraad van Amster- 
dam aan D. Otto Badius, predikant te Huchelhofifen, 
gezonden. 

( 22J) „ 25': I Oct. 1620. — Copie van eene missive van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Kampen, betreffende het beroep op 
D. Petrus Plancius Jr. uitgebracht. (Het handschrift 
is zeer verbleekt). 

(„ 23',) „ 26;: I Oct. 1620. — Copie van den beroepsbrief door 
den kerkeraad van Amsterdam aan D. Petrus 
Plancius Jr., predikant te Kampen, gezonden. 

("„ 24') ., 27': — (Het handschrift is zeer verbleekt). 

Vermoedelijk : copie van een schrijven van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Leeuwarden over het beroep op 
D. Johannes Bogerman uitgebracht. 

( ., 24') „ 27': — (nethandschrift is zeer verbleekt). 

Vermoedelijk: copie van den beroepsbrief door den 
kerkeraad van Amsterdam aan D. Johannes Bogerman 
te Leeuwarden, gezonden. 
( ., 25') ,, 28^: — (Het handschrift is zeer verbleekt). 



X 

Vermoedelijk: copie van een schrijven van den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Naarden, in zake het beroep van 
D. Jacobus Laurentius. 

(fol. 25') fol. 28': I Oct. 1620. — (Het handschrift is zeer verbleekt). 
Vermoedelijk : copie van den beroepsbrief door den 
kerkeraad van Amsterdam aan D. Jacobus Laurentius 
te Naarden, gezonden. 

( 5j ^5*1 n sS*"": 21 Aug. 1625. — Copie van instructie gegeven aan 
D. Isaacus Tyaeus, die als predikant naar Guinea wordt 
gezonden. „So is by de kerckenraet tot Amstelredam, 
uyt last des classis ende met approbatie der H. Be- 
winthebberen der W.-I. Compagnie, ende gesonden 
by desen omme met de schepen eersdaegs vae- 
rende nae Guinea, te gaen ende weder te comen, 
den Eerw. Godsaligen, Welgeleerden, Dienaer des 
Goddelycken Woorts D. Isaacus Tyaeus. Actum in 
de vergaderinge onses kerckenraets tot Amstelredam 
enz. 21 Augusti 1625. 

Jacobus Triglandius, 1. pr. 
Johannes Cloppenburch, Scriba Classis. 
Philips Metsue, ouderling." 

(„ 25*^) „ 28*': 4 Dec. 1625. — Dirrick Pietersz. Drystrang wordt 
door den kerkeraad van Amsterdam, als van den 
classis daartoe gelast, met approbatie van de Heeren 
Bewindhebberen der Oost-Indische Compagnie als 
predikant naar Oost-Indië gezonden ; vóór dien tijd 
bekleedde hij het ambt van ziekentrooster in 
Guinea. 

(„ 261) „ 29J: 16 Juli 1623. — Copie van den beroepsbrief door den 
kerkeraad van Amsterdam aan D. Petrus Wachten- 
dorpius gezonden, met verzoek gedurende de ziekte 
van D. Otto Badius diens plaats in te nemen. 

( „ 2Ó^) „ 29"^: 7 Dec. 1623. — Copie van instructie medegegeven aan 
Pieter Bonnissen, die als krankenbezoeker naar 
West-Indië zal varen Eene instructie van denzelfden 
inhoud werd aan Bastiaen Jansz. Krol ter hand- 
gesteld. Zij luidt woordelijk als volgt: 
„Alsoo noodich ende stichtelijck bevonden is, dat 
op de schepen varende naer West Indien eenige 
persoonen gestelt werden, die uut Godes heylige 
Woort, ende uut eenige boecken van de gerefor- 
meerde leeraren yet goets tot stichtinge voorlesen, 
het volck tot godtsalicheyt in het particulier ver- 
maenen, ende de persoonen die op deselve schepen 



XI 

in kranckheyt mochten komen te vallen, in hare 
kranckhe)^t onderrechten, ende vertroosten. Soo is 
by den kerckenraet deser stede, als van den classe 
daertoe gelast, met consent ende approbatie van de 
E. Heeren Bewinthebberen van de West Indische 
Compagnie, den thoonder deses, genaemt Pieter Bon- 
nissen tot een kranckbesoecker, ten eynde voirsz., 
verordineert. Ende opdat deselve daervoor by een 
yeder werde erkent, ende hy moge weten, hoe hy 
hem in deze syne bedieninge sal hebben te dragen, 
80 wort hem dese credentie in de instructie-brief 
medegegeven. De poincten nae dewelcke hy hem 
in deze bedieninge sal hebben te reguleren sijn dese 
naevolgende : 

Ten eersten sal hy alle morgen ende avont, oock 
voor ende nae den eten, de gemeene gebeden doen 
Ten tweeden sal hy des noot ende versocht sijnde, alle 
de krancken vlytich onderwysen ende vertroosten. 
Ten derden sal hy met Godes Woort in het par- 
ticulier vermaenen denghenen, die sulcke verma- 
ninge begeeren oft van noode hebben. 
Ten vierden sal hy ter gelegener tijdt uut Godes 
Woort, oft uut de boecken der gereformeerde 
leeraeren eenige capittelen of een sermoen vooriesen. 

fol. 30^: Alle welcke saecken de voorsz. Pieter Bonnisz. neer- 
stich ende op het stichtelijckste sal verrichten, ende 
dese syne bedieninge met eenen christelycken ende 
godtsaligen wandel bekleeden, opdat hy beyde met 
den woorde ende wandelinge het volck moge 
stichten: sonder hem yets anders aen te nemen, 
dat het predickampt aengaet, onder wat pretext 
hetselve soude mogen wesen. Aldus gedaen in de 
vergaederinge des kerckenraets binnen Amstelredam, 
ende ten oorconde neffens het opgedruckte segel 
by ons onderteyckent, den 7 Decemb. 1623. 

Uut aller naem ende last: 

Rudolphus Petri, Praeses. 

Jacobus Triglandius, Scriba. 

D. van den Emden, Ouderlingh." 

met dese instructie is Pieter Bonnisz. ende Jan 
Henricksz. van Rijssen naer West Indien gereyst, 
den 7 Uecemb. 1623. 



XII 

Ende met deselve instructie is Dirck Laurensz. 
naer Oost Indien gesonden, den 7 Decemb. 1623- 

Ende met deselve instructie is Bastiaen Jansen 
naer West Indien gesonden, den 7 Decemb. 
1623. AIsoo Bastiaen Jansen sieck is geworden» 
soo is in sjjn plaetse gesonden Qerr}^ Pietersz. 

Met deselve instructie is Bastiaen Jansen^ 
naer verkregen gesontheyt naer West Indien 
gereyst, den 25 January 1624. 

Met deselve voorsz. instructie is Gerrit Gerritsz. 

naer Oost Indien gesonden, den 14 Martii anno 1625. 

Met dese instructie is den 4 Decemb. 1625 naer 

West Indien gesonden Jan Heyndricxsz., item Evert 

Jansz. Snell naer Oost Indien. 

Met dese instructie is den 23 Aprilis 1626 naer 

Oost Indien gevaren Isaacus Ruttenius. 

Met dese instrucktie sijn den 3 September anno 1626 

naer Oost Indien gevaren : 

Hendrick Pontkaes 

Jan Dirrick 
Esaias Lubbertsz. 
Ende Jan Wesselsen naer West Indien. 
Met dese voorsz. instrucktie is Barent Evertsz. naer 
Oost Indien gesonden, den 6 November anno 1626. 
Met dese instrucktie voorsz. is Tousijn Lamberts 
naer Oost Indien gesonden, den 3r Decemb. 1626. 
Met dese voorsz. instrucktie is Lambert Wynantsz. 
naer Oost Indien gesonden, den 8 January anno 1627. 
Sijnde Hendrick Pontcaes aen landt gebleven, is weder- 
om naer Oost Indien gesonden, den 25 Martii 1627. 
Jan Brouwer is als voren naer Oost Indien gesonden 
tenselven dage. 
(fol. 27') foi. 30": Met dese vorige instructie is Gerrit Pietersz. naer 
West Indien gegaen, den 29 Aprilis 1627. lek segge 
naer Guinea. 

Met dese instructie is tenselven dage oock naer 
Guinea gegaen Jan Heyndricksz. van Rijssen. 
Met dese instructie is tenselven dage gegaen naer 
Groenlandt als voorleser Dirck Jansz., gelijck oock 
mede Isaac Thomasz. Grinel. 

Sijn oock met dese instructie uutgevaren naer Oost 
Indien, den 11 September 1627, Jan Wilnisz. ende 
Charles Gooseau. 



XIII 



Den i6 ditto is naer Oost Indien met dese instructie 
vertrocken Abraham Florianus. 
Den 2t ditto is op gelycker voegen naer Oost 
Indien vertrocken Titius Abbama. 
Den T2 Novemb. 1627 is met dese instructie naer 
West Indien vertrocken Hendrick Arentsz. 
Den 19 ditto is mede naer West Indien met gelycke 
instructie vertrocken Corn. Cornelisz. 
Den 30 Martii is voor cranckbesoucker ende pro- 
ponent gegaen naer West Indien Willem Dirxz, 
Den 13 Aprilis 1628 Lambertus Latomus voor pre- 
dicant op West Indien. 

Denselfden ditto Salomon Hoornaert, Robertus Cel- 
larius, Hubbertus Dinckgreven, Isaac Thomassoon 
Grinel voor sieckentrooslers op West Indien. 
Item Hendrick Hubertsoon voor sieckentrooster op 
denselfden tijt. 

(Item Willem Dirxsz. voor proponent ontrent den- 
selven tijt. 

Item Willem Dircxsz.) i) 
Jan du Boys \ 

Gerrit Jochemsz. Croes I Voor siecken troosters nae 
Cornelis Willemsz. l West Indien op ofte on- 

Jan Gerritsz. Croes j trent denselven tijt. 

Abraham Aertsz. | 

Jan Jacobsz., Oost Indien, 11 Meert anno 1632. 
Alonce Bourgoisnaer Oost Indien, 1632 den 12 Meert, 
met ordre om te mogen doopen. 
Hans Britsen, den 29 Meert '^ 
Hendrick Huybertsz, | 1 Deze voorsz. ses 

Dirrick Jansz. 1 | persoonen sijn 

Pieter Louwersenvan ' 1629 l voor sieckentroos- 
Linseel i 5 April 1 ters naer West 
Cornelis Willemsz. 1 | Indien vertrocken. 

Samuel Hornaer. / / 

Hendrick Arentsen, den 5 April anno 1629, voor 
sieckentrooster naer Guinea. 
Cornelis Cornelisz. 
Julius Ruelius 
Gerardus Busschofif 
Adriaen Aertsz. ^^^^ sieckentroosters na 

Gijsbert de Haes | ^est Indien, 7 Juny 1629. 
Pieter Marcus 



i) De tusschen haakjes geplaatste woorden zijn in het handschrift doorgehaald. 



XIV 

Jacob Jansz. voor sieckentrooster na Capo VerdCy 

7 Juny 1629. 

Isaac Jansz., i Septemb. \ 

Tacob Philips ^°°^ sieckentroos- 

V r^i TVT- 4. I ters naer West 

Jan Claesz., van Mmnertsga \ 

Claes van Westbroeck l ' ^ 

Abraham Pietersz, / & 7 29. 

Jasper Jaspersz. ' 

fan du Boys Dese 4 personen sijn 27 Decemb. 

Willem Ockersz. '^'^ ^°°' sieckentroster (sic) 
•p- j naer Oost Indien gevaren. 

Andries Dirrixsz. van Horn 17 January anno 1630 

naer Oost Indien gevaren. 

Abraham Jansz. Beckom 17 January 1630 naer 

West Indien gevaren. 

Claes Thomasz. 17 Meert 1630 naer Oost Indien 

gevaren. 

Jan Wesselsz. naer West Indien, 29 Meert 1630. 

Jacop Pietersz. naer West Indien, op ditto. 

Hendrick Bockelman naer Guinea, op ditto. 

Jan Giertsz. naer Groenlandt, 12 Mey. 

Jacop Jansz. na Oost Indien, 14 Mey 1630. 

Jan Lodewicxs na Capo Verde, 4 JuUy 1630. 

Daniel Macke na Pharnamboucq, op ditto. 

Jacop Fredricxs na Pharnamboucq, op ditto. 

Titius Abama na Moscovien, 10 Jully fsic) 163a. 

Everardus Bogardus naer Quinea, 9 Septemb. 

(1630). 

(fol. 28') fol 31": 6 Juli 1628. — Copie van eene missive door den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen te Leeuwarden gezonden, betreffende 
het beroep op D. Henricus Geldorpius uitgebracht. 
„ 31^: 6 Juli 1628. — Copie van den beroepsbrief door 
den kerkeraad van Amsterdam aan D. Henricus 
Geldorpius te Leeuwarden gezonden. 

(„ 29^) ,, 32,). 18 Juli 1628. — Copie van een schrijven van den 

( j> 3°"^) )) SS' kerkeraad van Amsterdam aan predikanten en ouder- 
lingen te Leeuwarden, in zake het beroep van D. 
Henricus Geldorpius. 

( » 30') ;j Si"' Sine dato (1628?). — Copie van een instructie- 
formulier voor proponenten op de schepen der Oost- 
Indische Compagnie, door de classis van Amsterdam 
opgesteld. 

( » 31') !) 34'' 5 Maart 1629. — Copie van een brief van den 
kerkeraad van Amsterdam, waarin deze verklaart 



i„ 


32') 


,) 35' 


(„ 


32*^] 


"6' 


(„ 


32*0 




(„ 


32*') 


,, 36' 


i„ 


34') 


„ sr- 



XV 

zich van conspiratie tegen den staat of de stad niet 

bewust te zijn. 
(fol. 31') fol. 34"": Sine dato. — Copie van een schrijven van 

waarin hij zich verklaart onschuldig te zijn aan 

„machinatie, complooterye ofte conspiratie". 
( )j 32v) )! 35': 14 Juni 1629. — Copie van instructie medegegeven 

aan D. Lambertus Latomus, die als predikant naar 

West-Indië wordt gezonden. 
), 21 Mei 1629. — Copie van een antwoord door den 
) kerkeraad van Amsterdam aan D. Cloppenburgius 

gezonden. 

Sine dato. — Copie van een schrijven over de zaak 

van D, Cloppenburgius. 

1630 — 1635. — Vervolg van de lijst van predikanten 

en krankenbezoekers die naar Oost- en West-Indië 

zijn gevaren. Zij luidt woordelijk als volgt: 

„Cornelis Willemsz. van Amst [ ] i). 

Pieter Tymansz. van [ ], voor sieckentroosters 

naer Oost Indien. 

Jan de Rooy van [Ljeyden [naer ] 

Dirck Jansz. 

Petrus Schelius. 

[Christianus] Wachloo voor predicant naer West 

Indien. 

Hendrick Huiberts kranckbesoecker na West Indien, 

29 Nov. 1630. 

Gerrit Buchoff na West Indien, January 1631. 

Cornelis Cornelissz. na West Indien, 4 Febr. 1631. 

rieter Lourisz, van Linseel, 24 April 1631. 

Adriaen Arisz., 4 Novemb. i 

Jan Dircksz , op ditto ' anno 1631. 

Abraham Jansz. Beckom, op ditto ' 

Jan Jacobsz., den 11 Meert 1632. 

Michiel Jochomsz. voor kranckbesoecker naer Guinea, 

den 12 Augusty anno 1632. 

Dirrick Jansz. voor cranckebesoeker naer Fernando 

Orognes, den 12 Augusty 1632, mach doopen ende 

trouwen. 

Pieter Douwes voor cranckebesoecker naer Oost 

Indien, den 18 Novemb. 1632, mach doopen ende 

trouwen. 

Cornelis Carré van Haerlem naer Oost Indien voor 

siecken trooster, den . . . November 1632 2). 

i) Het tusschen haakjes geplaatste is wegens beschadiging van het H.S. onleesbaar. 
2) De datum der maand is niet ingevuld. 



naer West Indien, 18 Octob. 1630. 



XVI 

Pieter Claeszbout van Uuttrecht (sic) voor siecken- 

trooster naer Oost Indien, den ...November 1632. 

Isaac Jansz. voor sieckentrooster op Brasilien, primo 

Novemb. 1633. 

Cornelis Wilnisz. van der Poel op West Tndyen 

voor sieckentrooster in de Engelsse ende Neer- 

lantse tale. 

Jan Gerritsz. Croes sieckentrooster op Oost Indien 

gevaren, 22 Martii 1635. 

Abraham Ruttenii voor sieckentrooter (sic), ende te 

mogen doopen, op Oost Indien gevaren, 29 Meert 

1635- 

Jan Wille msz. van Hoorn gevaren voor crancke- 

besoecker op Oost Indien, den 29 Meert 1635. 

Jan Jansz. van Uutgeest gevaren voor proponent 

op de Groenlandtsche schepen, den 5 April 1635. 

Fridericus Wiltens gevaren voor proponent op West 

Indien, den 26 April 1635. 

Claes Thomasz. van Texel voor sieckentrooster op 

Oost Indien, den 4 Octob. 1635. 

Jasper Jaspersz. Vaerouse voor sieckentrooster, ende 

te mogen doopen, op Oost Indien, 4 Octob. 1635. 

(fol. 34") fol. 37': II Maart 1632. — Copie van instructie voor Alonce 
Bourgeois om als ziekentrooster naar Oost-Indie te 
varen, met authorisatie om te doopen. 

( >» 35v) .» 3SJ : 4 Oct. 1629. — Copie van de aanstelling van 
Helmich Helmichsen als predikant naar Oost-Indië, 
„by den classe ende kerckenraedt deser stede van 
Amstelredam met goetvinden van de E. Heeren 
Bewinthebberen van de O. I. Comp". 

( >» 35') »> 3^'* 14 Oct. 1630. — Copie van de aanstelling van D. 
Abrahamus Rogerius, als predikant naar Oost-Indië. 
19 Maart 1631, — Copie van de aanstelling van 
D. Joannes Theodorus Hemste als predikant naar 
Oost-Indië. 

( M 35*') » 39'' ^- ^^o 1632. — Dirrick Jansz. wordt „by den 
kerckenraedt deser stede als van den classe daertoe 
gelast, met consent ende approbatie van de E. Heeren 
Bewinthebberen van de W. I. Compagnie", als kran- 
kenbezoeker met recht om te doopen in West-Indië 
aangesteld. 

( " 35*') >» 39' • 9 Sept. 1632. — D. Conradus Clevius wordt door 
classis en kerkeraad van Amsterdam tot predikant 
in West-lndië aangesteld. 

{ n 36') )) 40': 25 Sept. 1632. — Abrahamus Ruyteau wordt door 



XVII 

den kerkeraad als krankenbezoeker, met recht om te 
doopen, op het eiland St. Martijn aangesteld. 

(fol. 36^) fol. 40"^ : 9 Dec. 1632. — Copie van den beroepsbrief door 
den kerkeraad van Amsterdam aan D. Antonius 
Harinckhoeck, predikant te Amersfoort, gezonden, 

( ,, 37'') „ 41': 9 Dec. T632. — Copie van de missive door den 
kerkeraad van Amsterdam aan de predikanten en 
ouderlingen van Amersfoort gezonden, in zake het 
beroep van D. Antonius Harinckhoeck. 

( » 37') .j 41 : 5 April 1635. — Jan Jansen van Uitgeest „voorde 
naste (sic) reyse ende langer niet" als proponent 
aangesteld, om op de Groenlandsche schepen mede 
te varen. 



2. 5 Maart i^gS. — D. Plancius heeft aengedient, hoe datdereeders 
van de scheepen welcke naer Oost Indien sullen varen, hem hebben 
verclaert, hoe dat se van de heeren burgemeesteren versocht ende 
oock verkregen hebben, datter eenghe van de studenten, die op des 
stadts kosten gestudeert hebben (ende daertoe souden moghen 
gevvillich sijn) met deselve schepen naer Oost Indien souden varen, 
om Godes Woordt tusschen weghen ende aldaer te lande te vercon- 
dighen. Ende alsoo mijn heeren de burgemeesteren daertoe geno- 
mineert hebben Johannem Altenhovium, Johannem Silvinum (sic) ende 
Jacobium (sic) Brunonem, soo versoecken de bewindthebbers van deselve 
schepen door D. Plancium, dat haer believe de voornoemde per- 
soenen daertoe te vermanen ende te beweghen. Dit verstaen ende 
overleght sijnde, is goetgevonden, dat de voorsz. persoenen hiervan, 
door D. Plancium ende D. Halsbergium sullen aengesproken worden. 

(Protocollen van den Kerkeraad 
van Amsterdam III, fol. 21'). 



3. 4 April 1602. — Aengesien by de classe is goetgevonden, dat de 
kerkenraet soude aenspreken de kranckenbesoekers, die voordeesen 
op de schepen van Oost Indien hebben gevaren ende nu wederom 
derwaerts sullen gaen, omme uut haer te verstaen, hoet haer op de 
reyse is gegaen ende of sy haer, volgende commissie ende haere 
instrucsie wel hebben gequeten. Is goetgevonden, dat men deselve 
die voorhanden sijn, tegens Donderdach eerstcomende, ten eynde 
voorsz., voor den kerkenraet sal ontbieden. Ende alsoo Jacob Matheus 
op dese tijt tegenwoordich was, is tgeene voorsz. is aen hem int 
werck gestelt, ende bevonden dat het alles wel met hem was toe- 
gegaen, gelijck hy oock bereyt was met attestatien van sijn admirael 

II 



XVIII 

tselfde te bewysen, welcke attestatie hy over 14 dagen de broedere» 
ter handen sal bestellen. Hem is daer beneffens aengeseyt, dat hy 
de aenstaende reyse een scriftelycke commissie ende instrucsie van 
de broederen sal ontfangen. 

(Protocollen van den Kerkeraad 
van Amsterdam III, fol. 78'). 



6 Nov. 1603. — Is goetgevonden, dat D. Plancius ende D. Hel- 
michius alle cranckebesoeckers dewelcke de Companie van Oost Indien 
zouden moghen aennemen, zullen examineeren ende rapport aen den 
kerkenraet zullen doen, om alsdan by denzelfden daerin te han- 
delen, sooals hun best raetsaem zal duncken, 

(Protoc. III, fol. loi^). 



5. 14 April 160J. — Is goetgevonden, dat D, Ursinus sal scryven 'de 
instrucsie voor de kranckbesoekers welcke sullen varen met de 
tegenwoordige Oostindische vlote, ende dat in gelycke forme van 
het formulier daervan in voorleden jaer gemaeckt. Is mede goet- 
gevonden, om redenen die tanderen tyde zijn gewichtich geoordeelt 
in onse classicale vergaderinge, dat men Wernerus Merwerijcks ende 
Coornelis Joostensz. sal macht geven om den heyligen Doop over 
het ongedoopte scheepsvolck ter noot te bedienen, rnids die te 
vooren van den verborgendheyden der heylige verbonteeckenen wel 
onderrechtende ende blyckende van haere boetveerdicheyt. 

(Protoc. III, fol. i27'j. 



6. 7 Februari 1613. — Compareerden als voren Bastiaen Jansz. van 
Harlingen, kaffawercker, oud 20 jaeren, 10 ans. ^) woonende by de 
Regulierspoort, geassisteert mit Annetjen Egberts zyne moeder ter 
eenre, ende Annetjen Stoffelsdr. van Eesens, oud 21 jaeren, gans. i) 
wonende als voren, geen ouders hebbende, ter andere zyden. 
Ende gaven aen, dat se aen malkanderen verlovet ende met trouwe 
verbonden waren, versoekende haere drye Sondaeghse uytroepin- 
ghen, omme naer deselve de voorsz. trouwe te solenniseren ende 
in alles te voltrekken, soo verre daer anders gheene wettighe verhin- 
deringhe voor en valle. Ende naerdien sy by de waerheyd ver- 



i) „Ans." is eene afkorting voor „annos". 



XIX 

klaerden, dat se vrye persoenen waren ende malkanderen in bloede 
i), waerdoor een Christelijk huwelijk mochte verhindert 
worden niet en bestonden, zijn hun hare gheboden verwillighet. 

(Onderteekend :) 

Anneken Chrystovel. 

(Doop-, Trouw- en Begrafenis-boeken^ 

N°i 418, fol. l62verso_ 

Oud-Archief in de St. Anthonis-waag 
te Amsterdam). 



2S Maart 1621. — D. Rolandus dient aen, dat D. Faukelius ten 
tweeden heefft geschreven over de sake van Oost Indien om te bevoor- 
deren het Seminarium, mitsgaders te houden correspondentie met de 
broederen van Zeelandt, desgelijcks om malcanderen over te schryven 
de namen dergenen, die naer Oost Indien voor predicanten ende 
sieckentroosters sijn gevaren. Dit in communicatie gelegt sijnde, is 
goetgevonden, dat men de broederen van Zeelandt sal overschryven, 
wat in de saecke vant Seminarium is gedaen den 4 Martii, Dat men 
oock de namen der cranckbesoeckers ende predicanten sal metter tijt 
overschryven. Dat oock D. Lemerius (sic) ende D. Jacobus Rolandus 
met een ouderling de personen, die naer Oost Indien sullen varen 
sullen examineren, presenteren ende waernemen al wat op d'Oost 
in(di)sche saecke voorvalt ende correspondentie sullen houden met de 
broederen van Zeelandt, twelck by ordre jaerlijcx onder de broederen 
sal omgaen. 

(Protoc. V, fol. 6). 



8. 7 April 1622. — Also D. Lemerius ende D. Rolandi beurte (omme 
het examen dergenen te doen welcke voor predicanten ende kranck- 
besoeckers sullen gaen naer Oost Indien ende dieselvige by de Bewint- 
hebbers voor te stellen ende waer te nemen meer andere saecken die 
desen dienst ende de correspondentie met die van Zeelant over dese 
saecke raecken) geexpireert is. Soo sullen D. Casparus Heydanus 
ende Lucas Ambrosi in haer plaetse succederen volgende de Resolutie 
genomen anno 162 1 den 25 April ^). Segge voort. 

(Protoc. V, fol. 55). 

i) Hier is in het H.S. een regel opengelaten. 

2) Het teekentje van Bastiaen Jansz. Krol; hij kon blijkbaar in dit jaar nog niet schrijven. 

3) Dit moet zijn : Maart. 



XX 

9. i6 Maart 1623. — D. Casparus ende D. Lucas rapporteren, dat sy 
geexamineert hebben Lucas Beermans, Pieter Bonnisz. ende Dirck 
Laurensz. tot het sieckentroosterschap, op een van de schepen die 
onder den admirael L'Hermite op de onbekende reyse sullen gaen, 
ende dat se Pieter Bonnisz. ende Dirck Laurensz. malcanderen niet 
seer ongelijck en vinden, doch dat Pieter Bonnisz. beter conde lesen 
ende de psalmen intoneren, ende dat Lucas Beermans, hoewel hy 
suyver is in de leere ende van meerder uyterlijck aensien, nochtans 
soo ervaren ende geoeffent niet en is als die twee; twelck de 
vergaederinge gehoort hebbende, heeft goetgevonden, Pieter Bonnisz, 
voor jegenwoordich tot dat ampt te bevoorderen, ende Dirck Lau- 
rensz. hope te geven, tegen de naeste schepen, die nae Oost Indien 
sullen gaen, ende hem te vermaenen, dat hij hem ondertusschen 
noch oefFene, ende de psalmen leere intoneren. 

(Protoc. V, fol. 92, 93). 



10. 13 April 1623. — Alsoo het noodich is, dat een van die broeders, 
die den last hebben, om de predicanten ende sieckentroosters naer 
Oost Indien gaende t' examineren ende andere saecken nopende 
dien dienst te verrichten, worde noch een jaer gecontinueert, opdatter 
altijdts een sy, die kennisse van saecken heeft, soo sullen nu voortaen 
die broeders in die commissie twee jaeren dienen, ende volgens dit 
toecomende jaer dese commissie bedienen : D. Lucas Ambrosy ende 
D. Jacob. Triglandius. 

(Protoc. V, fol. 99). 



11. 27 Juli 1623. — D. Le Maire ende Hans Lenarts sullen haer 
vervoegen by het collegie van de negentiene van de West Indise 
Compaignie, om deselve te vermaenen, dat se de schepen, die se nae 
West Indien uutsenden, doen versien van predicanten ende siecken- 
troosters, ende voorts by gelegentheyt doen aenstellen een Seminarium 
van jonge studenten, opdat men altijdt bequame persoonen moge 
hebben, door dewelcke den Godesdienst geduyrich onderhouden 
werde. Ende dat ment op Maendach in classe sal inbrengen, opdat 
het soo voorts tot den aenstaenden synodum van Noort HoUandt 
gebracht werde. 

(Protoc. V, fol. 126). 



12. 20 Aug. 1623. — D. Johannes Le Maire ende Hans Lenarts 
sullen alsnoch by d'eerste gelegentheyt, de vergaederinge van de 



XXI 

negenthiene van de West Indise Compagnie recommanderen de 
bevorderinge van den kerckendienst, soo binnen scheepsboort ende 
aen landt. 

(Protoc, V, fol. 129). 



13. 24. Aug. 1623. — Hans Lenarts in absentie D. Johannis Le Maire 
rapporteert, dat se haere commissie aen de negentiene van de West 
Indise Compagnie hebben verricht, ende tot antwoorde becomen, 
nopende de oefifeninge des Godesdienstes in de schepen ende aen 
landt, dat se den kerckenraet voor haere sorchvuldicheyt bedanckten, 
ende haer daernae souden reguleren. Aengaende den predicant op 
het fort in Guinea, dat se souden aenhouden by de Hoog. Mog. 
Heeren Staten Generael, dat haere Hoog. Mog. beliefde dat fort 
noch in haer sauvegarde te houden, ende volgens meenden, dat 
het versorgen van den kerckendienst op het voorsz. fort soude 
alsnoch staen by den kerckenraet ende de heeren van d'Admiraliteyt. 
Ende aengaende het Seminarium, dat se dat noch moesten uutstel- 
len, totdat hare saecke in meerder ordre ende vasticheyt waere. 

<; (Protoc. V, fol, 131). 



14. 14. Sept. 1623. — D. Sylvius dient aen, dat de heeren Bewintheb- 
beren van de West Indise Compagnie versoecken eenen predicant 
met dry sieckentroosters op de vier schepen, die haest daer nae toe 
sullen vaeren. D. Lucas ende D. Triglandius sullen naer bequaeme 
persoonen uutsien. 

(Protoc. V, fol. 136). 



15, 21 Sept. 1623. — Is goetgevonden, dat D. Lucas en D. Triglandius 
den heeren Bewinthebberen van de West Indise Compagnie sullen 
vermaenen, om goede ordre te stellen datter boecken ende andere 
saecken den predicanten ende sieckentroosters noodich sijnde op de 
schepen bestelt mogen werden; dat oock de sieckentroosters by 
Mr. Hendrick oft yemant van de voorsangers in het intoneren ende 
voorsingen van de psalmen, t'haren costen, onderwesen mogen werden. 

(Protoc. V, fol. 136). 



16. 28 Sept. 1623. — D. Lucas en D. Triglandius rapporteren, dat sy 
de saecke haer in last gegeven den E. Heeren Bewinthebberen van 
de West Indise Compagnie hebben voorgedragen, ende voor antwoort 
becomen, dat als de kercke eenige bequame persoonen hadde, deselve 



XXII 

haer souden presenteren om aengenomen te werden, ende aenge- 
nomen sijnde, deselve eenich tractament sullen laten volgen, soo 
lange alse aen lant sijn, om haer te beter te oeffenen, ende voorts 
in de reste sullen doen nae behooren. 

(Protoc. V, fol. 138). 



17. 12 Oct. 1623, — Bastiaen Jansen, cafFawercker op de Blomgracht, 
versoeckt voor sieckentrooster te vaeren nae West Indien, hebbende 
goede getuygenisse, sal mede nefFens andere geexamineert worden. 

(Protoc. V, fol. 142). 



18, ig Oct. 1623. — D. Lucas Ambrosius en D, Triglandius rapporteren, 
dat sy verscheyden persoonen, die haer hebben gepresenteert om te 
vaeren voor kranckbesoeckers naer West Indien hebben geexamineert, 
ende elck sijn qualiteyt ende bequaemheyt verclaerende sijn op het 
rapport by de meeste stemmen gestelt om den Bewinthebberen 
gerecommandeert te werden : Gerryt Pietersz. woonende tot Moni- 
kendam (sic), ende Jan Henricksz. van Rijssen, tot Harlem. 

(Protoc. V, fol. 144). 



19. 30 Nov. 1623. — Alsoo Gerryt Pietersz., aengenomen tot cranck- 
besoecker nae West Indien, kranck is, soo dattet te bevreese staet, 
dat hy niet sal connen mede vaeren. Ende de H. Bewinthebberen 
van de Oost Indise Compagnie eenen cranckebesoecker versoecken 
op een schip dat nae Suratte sal vaeren. Soo sullen D. Praeses ') en 
D. Geldorpius met Bastiaen Jansen ende Dirck Laurensz., die 
onlancks nefFens andere mede sijn geexamineert wat naerder handelen, 
om een van hun beyden te presenteren aen de Oost Indise Com- 
pagnie, ende den anderen by soo verre Gerryt Pietersz. voorschreven 
cranck blijft, aen de West Indische. 

(Protoc. V, fol. 155). 



20. 7 Dec. 1623. — Pieter Bonnissen ende Bastiaen Jansen die voor 
kranckbesoeckers sullen vaeren nae West Indien, ende Dirck Lau- 
rensz. die in deselve qualiteyt sal vaeren nae Oost Indien, hebben 
hare instructien ontfangen ende sijn tot getrouwicheyt in haren 
dienst vermaent. 

(Protoc. V, fol. 157). 



z) D. Lucas Ambrosius. 



XXIII 

21. 14 Nov. 1624. — Bastiaen Jansz. Croon (sic) die voor siecken- 
trooster in de Virginiis is geweest, binnenstaende verclaert dat 
aldaer bevruchte vrouwen sijn over welcker kinderen doop dient 
ordre gestelt te worden : ende dat d'inwoonders aldaer eysschen 
een en predicant te hebben. Antwoord, alsoo daer weynich huysge- 
sinnen sijn, sal men over acht dagen spreken, oft men hem commissie 
geven sal om den doop te bedienen. 

(Protoc. V, fol. 231). 



22. 21 Nov. 1624.. — Bastiaen Jansz., die voorleden Dyngsdach van 
eenige broeder (sic) gehoort is worden, zal benefifens het siecken- 
troosterschap den christelycken doop ende trouwe bedienen mogen 
in de Virginias ende tot dien eynde uut Bullingero, Sepeio ofte 
andere Gereformeerde Leeraren eenige postillien leeren, den doop 
ende trouwe aengaende, ende deselvige voor hem lesen ofte oock 
opseggen, mits hem bindende aen den text der gemelder postillien 
zonder hem te vervoorderen yets selfs te componneren oft stellen. 

(Protoc. V, fol. 231). 



23. 22 Jan. 1626. — D. Rudolphus brenght in, hoedat de Bewint- 
hebberen van de West Indische Gompie voorbygaende Pieter Bonnes 
hen nochtans gerecommandeert, haer oppercommis souden opgeleyt 
hebben het voirleesen int schip. Wort goedt gevonden, dat men de 
voorschreven Bewinthebbers, daerop sal aenspreecken, ende hen 
alsnoch Pieter Bonnes recommanderen ende met eenen dat se by 
tyde spreecken willen, wanneer se sieckentroosters sullen van doen 
hebben. 

(Protoc. V, fol. 317). 



24. 2 April 1626. — Jan Huygen geweest ouderling tot Gleve van 
gelycken ') geexamineert ende bequaem geoordeelt sijnde, sal mede 
gerecommandeert ende voorgedragen worden om voor sieckentrooster 
op West Indien te mogen varen. 

(Protoc. V, fol. ^^6). 



25. s Nov. 1626. — Barent Evertsz. voor twee jaeren uytgevaren sijnde 
nae de West Indien op het schip Medenblick onder den generael 
Bouwen Heynsz. als sieckentrooster, alsoe hem sijn gagie onthouden 



1) Namelijk als : Cornelis Cornelisz. en Hendrick Arentsen. 



XXIV 

wert nae de zeerechten, omdat het schip verongeluckt is, versoeckt 
de intercessie des kerckenraets by de H. Bewinthebberen omme 
syne gagie te obtineeren, ende ter gelegener tijt bevoorderinge nae 
de Oost Indien. Wert hem beyde ingewillicht ende den broederen 
Gecommitteerde tot de Oost ende West Indische saken bevoleij. 

(Protoc. V, fol. 377). 



26. 6 April 1628. — D, Smoutius heeft voorgestelt, dat sijn tijt van 
de besoigne in de Oost ende West Indische saecken nu geeyndicht 
was, ende daerom versochte van desen last ontslagen te mogen 
worden, ende dat een ander in sijn plaetse voor de twee toecom- 
mende jaeren mochte gestelt worden. Is D. Smoutius voor synen 
getrouwen dienst bedanckt ende in sijn plaetse gesubsitueert (sic) 
D. Laurentius. 

(Protoc. VI, fol. 94). 



27. 28 Juni i62g. — Sullen meer particularia ad synodum gebracht 
worden, voor eerst aengaande de sendinge van de cranckbesouckers 
naer Oost ende West Indien, datter mochte meer wettelijckheyt ende 
eenparicheyt gehouden worden. 

(Protoc. VI, fol. 190). 



28. 4 Maart 1632. — D. Jonas Michielsen dewelcke voor desen voor 
predicant is gegaen nae de Virginees ende omtrent 4 ofte 5 jaeren 
in dienste van deselve plaetse is geweest, voor dese vergaderinge 
verscheenen sijnde, heeft omstandelycken verhaelt sijn wedervaer in 
die plaetse ende de gelegentheyt van synen dienst, ter tijt sijndere 
bedieninge. Specialycken verhalende t'gene gepasseert was tusschen 
hem ende den Commandeur van die plaetse, bestaende in ver- 
scheydene rescontren hem van dienselven ontmoet, waerdoor synen 
dienst ende persoone veelen onrusten ende moyten is onderworpen 
geweest. De vergaderinge dit alles gehoort ende verstaen hebbende, 
heeft synen persoone vriendelycken gewillecomt, ende is met 
bedanckinge van synen dienst vertrocken. 

(Protoc. VI, fol. 311). 



29. 7 Juni 1632. — Everardus Bogardus, die voor sieckentrooster is 
geweest in Guinea, heeft syne testimonia voor den Classe geprae- 
senteert, dewelcke seer goet sijn, ende daerby versocht van den Classe 
peremptorie geexamineert te worden, welck versoeck hem is toe- 



XXV 



gestaen, ende sal toecomende Maendach geexamineert worden van 
D. Praeside ^), met Conrado Clevio, die oock goede getuygenissen 
overgeïevert heeft. 

(Acta Classis Amstelod. IV, fol. 22'). 



30. 14 Juni 1632. — Everardus Bogardus heeft een propositie gedaen 
over de woorden Pauli, Gal. 5:16, ende is daerop tot examen toe- 
gelaten worden. Conradus Clevius die met hem soude geexamineert 
worden enz. enz., ende beyde mogen tot den H. Dienst gepromoveert 
worden. 

(Acta Classis Amstelod. IV, fol. 22^). 



31. 15 Juli 1632. — D. Everhardus Bogardus van de H. Bewinthebberen 
der West Indischer Compagnie versocht sijnde om te gaen nae 
Nieuw-Nederlandt, genaemt de Virgines, heeft dien dienst aen- 
genomen, ende is tot dien eynde van den Classe peremptorie 
geexamineert, voor dese vergaderinge bevesticht, ende sal voorts tot 
dien eynde der Camer van de West Indische Compagnie voorgestelt 
ende Classicale Testimonium gegeven worden. 

(Protoc. VI, fol. 327). 



32. 2) Interrogatorien ofif vraeghpointen omme daerop t* examineren ende 
verhooren den persoon van Bastiaen Jansen Crol 3). 

Op huyden den laesten dagh der maent Juny des jaers XVP vier en 
derttich, is voor my Joost van de Ven by den hove van HoUandt 



i) D. Johannes Bautius. 

2) DU „interrogatoir" komt voor in de protocollen van den notaris Justus van de Ven. 
Het wordt bewaard op het Notarieel Archief te Amsterdam, in een H.S. getiteld : „Notaris 
J. van de Ven, A° 1634, Kast N., No i, fol. i^f — 156'". Deze hierbij uitgegeven oorspron- 
kelijke minuut van het interrogatoir, door Bastiaen Jansz. Krol onderteekend, was tot 
dusverre niet bekend ; eene copie met enkele variatiën is te vinden bij Mr. N. de Roever, 
Kiliae/i van Rensselaer en zijne kolonie Mensselaerswyc/i, in OudSolland,JsLa.rg.VUl{i8go), 
blz. 287 — 289, bijlage H. 

De minuut is op vele plaatsen doorgehaald en verbeterd. Deze veranderingen hebben 
echter geen beteekenis voor den inhoud; het zijn verbeteringen van taal en stijl. Boven 
aan fol. isi' staat „siet achter", eene verwijzing naar fol. isö"", waar de notaris in de 
officiëele wettige termen dit interrogatoir inleidt en afsluit. Voorloopig plaatste hij er 
boven : „Bastiaen Jansen Crol out 39 jaren etc." en „Interrogatorien etc. om daer op t' hooren, 
ende t'examineren den persoon van Bastiaen Jansen Crol". 

3) Fol. 156'. 



XXVI 

geadmitteerden ende by eenen Eedl. Erntf. Achtbaren ende Welwysen 
Magistraten der stadt Amstelredam geimmatriculeerden openbaer 
notaris binnen deselve stadt residerende, ende de naergenoemde 
getuygen, persoonlijck gecompareert den Sr. Bastiaen Janssen Crol, 
oudt omtrent negen en derttich jaeren, als getuyge geproduceert ende 
op de tegengeschreven interro(gat)orien ofte vraeghpointen geexami- 
neert ende verhoort ten versoecke van de E. Heeren Patronen van 
hare colonien, die sy geërigeert hebben in Nieu Nederlant, reside- 
rende binnen deser voorsz. stede, ende heeft by waere christelycke 
woorden in plaetse, ende met presentatie van eede (des versocht 
sijnde) op deselve gedeposeert, getuyght, verclaert tgene ende gelijck 
in de margine van dien geannoteert ende geschreven staet namelijck 
ende eerstehjck '). 

1 ~). In wadt qualiteyt ende hoe langh hy gerequireerde in dienst van 
de Westindysse Compaignie geweest is in N. Nederlant. 

Eerstel ijck : 

Verclaert hy gerequireerde als sieckentrooster uutgevaren ende een 
reys van j^ maendt aldaer gedaen t'hebben. Voor de 2 reys iude- 
selffde qualiteyt uutgevaren t'sijn, ende naerdat hy ontrent 1 5 maenden 
uut geweest was, hem opgelevert was tdirecteurscap aent fort 
Orangie op d' Noort rivier ende tselffdebewaertt' hebben driejaren. 
De derde reyse weder in qualite als directeur vant fort Orange uut- 
gevaren, heeft hetselve naer sijn beste onthout weder ontrent 2 jaren 
bedient. Waernaer hy vercoren was tot generael directeur van 
N. Nederlant opt fort Amsterdam opt eylant Manhates, gelegen in 
de mont van de Noortrivier anders Mauritius genaempt ende tselffde 
bedient 13 maenden. 

2 2). Off hy gerequireerde residerende opt fort Orange niet uut de 
overste van de Maquaas verstaen heeft, dat voormaels aldaer geweest 
was eenen Hans Jorissen Hontom met henluyden traficquerende, 
hebbende eerst tot scipper Jacob Eelkens, die hy Hontom naderhant 
tot sijn commis gebruyckt heeft. 

Verclaert: Jae. 

3. Off niet naderhant misverstant geresen hadde tusschen de voorn, 
natiën aldaer ter eendre, ende gemelte Hans Jorissen ter andre 
syden. Ende off hy Honthom oock niet een sackima ofte oversten 
gevangen genomen heeft. 



i) Fol. 156'. 
2) Fol. 151". 



XXVII 

Verclaert: Jae. 

4. Oock ofF Hontom naderhant opt versouck van de onderdanen 
van dien sackima voorsz., rantsoen van schaden voor den oversten 
met deselve veraccordeert is. 

Verclaert: Jae. 

5. Off naerdat het rantsoen opgebracht ende betaelt was, H. Hontom 
den voorn, overste tegens beloften de mannelicheyt niet uutgesne- 
den, die aen de stach met touwen opgehangen ende so den sackima 
gedoot heeft. 

Verclaert: Jae, 

6 ï). Off in den jare 1633, so wanneer de gerequireerde noch direc- 
teur van N. Nederlant was, aldaer niet gecomen is de voornoemde 
Hans Jorissen Hontom, in qualite als directeur vant fort Orange 
ende raet van N. Nederlant. 

Verclaert: Jae. 

7. Ofif hy gerequireerde mede niet gesien heeft, dat ontrent vier ») 
maenden naert arrivement van Hans Jorissen Hontom op de Noort- 
rivier gearriveert is de voornoemde Jaques Eelkens met sijn fiuyt 
genaemt de ,William' comende van Londen. 

Verclaert: Jae. 

8. Ende hoe langh Hans Jorissen Hontom voor de compste van 
Jacob Eelkens opt fort Orange geweest was. 

Antwoort: Ontrent een maent off vijff weecken. 

9. Off de voornoemde Eelkens met sijn schip niet voort de rivier 
opwars (sic) voer naert fort Orange alwaer Hans Jorissen Hontom 
directeur was. 

Verclaert: Jae. 

10 3), Ofif hy gerequireerde by Wouter van Twiller, synen succes- 
seur, den nieuwen directeur, niet versocht hadde hem ten dienste van 
de West-Indische Compaignie naert fort Orange wederom t'willen 
transporteren, om Eelkens den handel t'verhinderen. 

Verclaert: Jae. 



1) Fol. isz'. 

2) Het woord „een" is doorgehaald. 

3) Fol. 152'. 



XXVIII 

11. OfF de voornoemde Eelkens, doen hy gerequireerde opwars 
quam, niet bereets lach ende handelde after 't Casteels eylant in een 
opgeslagen tent in de Molenkil, ontrent een halff uyr benedent fort 
Orangie. 

Verclaert: Jae. 

12. OfF mede de sloep van Jacop Eelkens niet en lach recht voor 
ende aen de wal vant fort Oraingie, daer Hans Jorissen Hontom 
commandeerde ende aldaer handel dreeff. 

Verclaert: Jae. 

13. OfF hy gerequireerde aent fort Oraignie gearriveert sijnde ende 
meenende Jaques Eelkens den handel t' verhinderen niet van 
meeninge was t' gaen leggen met een sloep in de Maquaas-kil bovent 
voorsz. fort, om alsoo de Maquaas de pas naer Jaques Eelkens aff 
te snyden. 

Verclaert: Jae. 

14 ï). OfF s'anderen daechs Hans Jorissen Hontom niet by hem 
gerequireerde gecomen is aen boort seggende 2^, dat hy gerequireerde 
wel wedier mocht naer beneden varen, ende so langh hy Hontom daer 
was, dat hy 't wel regeren soude. 

Verclaert: Jae. 

15. Hoe langh Jaques Eelkens ontrent het fort Orange gelegen heeft 
te handelen. 

Seyt: Ontrent 4 a 5 weecken. 

16. Ofif Jaques Eelkens niet tot verscheyden reysen opt fort Orange 
by Hans Jorissen Hontom t' eten geweest is. 

Verclaert: Jae. 

17. OfF Hans Jorissen Hontom wederom niet dicwils in de tent 
van Jaques Eelkens t' gast geweest is. 

Verclaert: Jae. 

18. OfF hy gerequireerde, ten tyde Jaques Eelkens boven lach ende 
handelde, niet geweest is opt fort Orange als aldaer quam Saggo- 
dryochta, generael-overste van de Maquaas. 



1) Fol. 153'. 

2) Nu volgen de woorden: „dat hy gerequireerde daer alleen quam om hem t'affron- 
teren in schijn o£F hy beter bedreven was den handel aldaer t'dryven"; dit alles is 
in het II.S. doorgehaald. 



XXIX 

Verclaert: Jae. 

19. Ende als de voornoemde overste sach den parsoon van Hans 
Jorissen Hontom int fort Orange ende hem wierd' kennende, hy 
terstont niet op geresen is, sijn vellen medenemende, ende uutgaende 
geseyt heeft, die man is een schelm, ick wil met hem niet handelen. 

Verclaert: Jae. 

20. Hoeveel vellen Jaques Eelkens verclaerde aent fort Orange 
gehandelt t' hebben. 

Antwoort: Ontrent 3 a 400. 

21 I). Off de natie van de Macquaas kort voor sijns gerequireerdens 
vertreck vant fort Oraignen tegens hem (als de spraecke van die 
lande verstaende) niet geseyt hebben, dat syluyden den voorn. 
Hans Jorissen Honthom, ter eerster plaetse daer sy hem alleen 
souden connen becomen, dootsmyten souden ende off hydienvolgende 
de voornoemde Honthum (sic) sulx niet gewaerschout heeft. 

Verclaert: Jae. 

22. Ende wat antwoordt de voorn. Honthum hem gerequireerde 
daerop gegeven heeft. 

Verclaert: Dat hem deposant geantwoort wierde, dat de Maquaas 
haer beste moghten doen ofte diergelycke redenen in sabstantien. 

23. Off daernaer het jacht van de Compaignie, ,de Bever' genaempt, 
door de wilden ontrent het fort Orangie niet en is verbrant. 

Verclaert: Jae. 

24 2), Ofif mede den 20 July 1633, als de gerequireerde seylreet was 
om naert vaderlant t' vertrecken, een Mahicanse wilt, ,Dickop' ge- 
naempt, de tydinge niet quam brengen opt eylant Manhates, dat 
alle de beesten ontrent het fort Orangie dootgesmeten waren. 

Verclaert : Jae. 

Off 3) den directeur Pieter Minuict, des gerequireerdens voorsaet, ter 
presentie van hem getuyge 4), Cornelis van Vorst niet toegeseyt ende 



i) De vragen en antwoorden N". 21 en No. 22 staan niet op hare plaats, doch op pagina iSSr. 

2) Fol. 154'. 

3) De vragen en antwoorden betreffende de directeuren Minuict en Wouter van Twiller 
die nu volgen, zijn in het H.S. doorgehaald. 

4) Krol treedt een enkele maal op als getuige bij den koop en verkoop van vee. Vgl. 
A. J. F. van Laer, Van Mensselaer Bowler Manuscripts, Albany 1908, pag. 223, 275. 
Over de questie in deze vragen gesteld, zie men van Laer, p. 254, 255. 



XXX 

hem deposant belast heeft t'leveren twee koebeesten van de vier 
jonge beesten, die d'eerste mael calven souden. 

Verclaert : Jae. 
Waar sulcx gesciet is. 

In Cornelis van Vorst sijn huys op Pavonia, ter presentie van Pieter 
Bylevelt, commis ende meer andere. 

Wanneer sulcx gesciet is. 

Weynich tijt voor 'tvertreck van den directeur Minuict. 

Off ') hy gerequireerde dienvolgende de voornoemde twee beesten 
aen Cornelis van Vorst niet gelevert heeft. 

Verclaert : Jae. 

Off Andries Hudden commis van de winckelgoederen, van gelycke 
niet een koebeest aen C(ornelis) van Vorst gelevert heeft. 

Verclaert: Jae. 

Off Wouter van Twiller, directeur in Martio 1633, ontrent i omaen- 
den naer de leveranci sonder den juysten tijt so heel precys gereser- 
veert t' hebben, Cornelis van Vorst de voorscreven drie koebeesten 
niet weder afifgenomen heeft. 

Verclaert: Jae. 

Wadt redenen hy Wouter van Twiller daervan gaff. 

Seyde: De drie van Pieter Minuict gecoft te hebben. 

Off Wouter van Twiller in plaetse van de drie koebeesten Cornelis 
van Vorst affgenomen, niet weder behandicht heeft andere drie beesten, 
naer welgevallen van ditto Twiller. 

Verclaert: Jae. 

Ende ^) hiermede syne depositie besluytende sustineerde deselve 



i) Fol. 154». 

2) De meer uitvoerige en wettige getuigen-verklaring, die bij een afschrift in debita 
forma moest gebruikt worden, is geplaatst op fol. isö' en luidt als volgt: 

„Ende hiermede syne depositie besluytende, sustineerde deselve nae gedane prelectie 
alsoo waerachtich ende alle affecten ende simulatien daerinne uytgebleven te sijn. My notaris 
voornoemt consenterende van deselve ten behoeve van de heeren producenten gemaeckt 
ende gelevert te worden openbaer acte, een ofte meer in debita forma. Aldus gedaen binnen 
dese voorsz, stadt Amsterdam ten schrijffcomptoire mijns notaris, ter presentie van 
Egbert Janssz., Johannes Verhulst (lees: „van der Hulst". Schr.) als getuygen, hebbende 
de voorsz. deposant de minute ondergeteeckent". 



XXXI 

alsoo waerachtich ende alle affecten ende simulatien daerinne 
uytgebleven te sijn. My Notaris voorn, consenterende ten behoeve 
van de heeren Requirenten enz. Aldus gedaen enz. presentibus 
Egbert Janssen en Johannes van der Hulst als getuygen, heb- 
bende enz. 

BASTIAEN JaNSZ. KROL. 

Egbert Jansen. 
Johannes van der Hulst. J. van de Ven. 



33. 8 Nov. 1635. — Lubbert Dinxlaken, gewesene fiscael in Nieuw- 
Nederlandt, komende voor de vergaderinge klagen over de proceduren, 
tegens sijn persoon gehouden van den kerckenraedt ter genoemder 
plaetse, ende insonderheyt over D. Bogardum, predicant aldaer, 
als onwettelycke ende onrechtveerdige handelingen, hem beroepende 
op seeckere personen vandaer.gecommen, dewelcke van hem als se 
sullen geciteert, wel sullen soo hy seyt getuygen, ende versoeckende 
dat die persoonen die hy by geschrifte hadde gestelt, mochten 
werden gecitteert ende geroepen om voor dese vergaderinge te 
verschynen, ende getuygenisse na waerheyt van hem te geven, 
omdat als gemelte Bogardus sal overgecomen sijn, de vergaderinge 
als hy syne klachte tegens gemelde Bogardum sal vernieuwen, met 
meerder kennisse daerin mochte handelen. Soo ist dat de ver- 
gaderinge op dese sake lettende heeft geadviseert, dat men hem 
afwysen sal, alsoo syne partye niet tegenwoordich is, ende seggen 
dat hy soo lange wachte totdat D. Bogardus overcomt, ende indien 
dat hij alsdan iets wil verder daerin doen, dat hy hem alsdan 
adressere aen den Classem daer dese sake behoort. 

(Trotoc. VII, fol. 123). 



34, 3 Jan. 1636. — Dewyle men verneemt dat de Bewinthebbers van 
de West Indische Comp'^ op de recommandatie van Mr. de la 
Riviere hebben aengenomen tot predicant een Spaenjaert die omtrent 
twintich jaeren geleden uut het pausdom gecommen is, ende sich in 
Vrancrijck onthouden heeft, thoonende een grooten yver tot bekee- 
ringe van de Spaenjaerden, vint de vergaderinge goet dat de broeders 
Gecommitteert tot de Indische saken, sullen voor eerst by den 
praesident van de Camer te deser stede vernemen, wat hier van sy. 
Ende bevindende dat hetselfde alsoo is, sullen de Bewinthebberen 
recommandeeren de ordre der kercke, die tot noch toe met goede 
stichtinge onderhouden is. 

(Protoc. VII, fol. 133). 



XXXII 

35. 10 Jan. 1636. — D. Scriba ^) heeft gerapporteert, dat hy met D. Geldorpio 
syne commissie aen de Bewinthebbers van de West Indische Compagnie 
heeft uutgevoert, ende goet contentement van deselve verkregen, 
ende dat sy breeder rapport daervan hebben gedaen aen den Classe, 
twelck hy oock summatim heeft de vergaderinge verhaelt. 

(Protoc. VII, fol. 134). 



36. 21 Sept. i64S> — Sebastiaen Jansz. Crol welcke sieckentrooster 
ende commandeur opt fort Manhattes is geweest, binnen gestaen 
geeft te kennen, dat hem belast was om voor het aenstaende nachtmael 
wederom te comen. De broeders van t'quartier Jan Marcussen cum 
socio, na de saecke vernomen hebbende, brengen goet rapport van 
sijn tegenwoordich comportement in. Maer also de vergaderinge op 
sijn persoon haer bedencken heeft, wort goetgevonden dat die voor- 
gaende broeders noch naerder na hem sullen vernemen. 

(Protoc. VIII, fol. 45). 



37. 28 Sept. 1645. — De broeders Jan Marcusz. cum socio brengen in, 
noch naerder na den persoon van Sebastiaen Jansen Croll vernomen 
te hebben, ende noch niet anders verstaen hebben als alles goets. 
Wort goetgevonden, dat hy *) wederom tot de taeffel des Heren sal 
toegelaten worden. 

(Protoc. VIII, fol. 46). 

i) D. Mourcourtius. 

2) In het H.S. staat na „dat hy" nog eens „dat hi". 



REGISTER ï). 



Aa (A. J. V. d.) 21, 26. 
Abbama (Titius) xiii, xiv. 
Adirondack-Mountains 2. 
Aertsz. (Abraham) xiii. 
Aertsz. (Adriaen) xiii. 
Aken ix. 

Albany (N. Y.) 3, 35, 36. 
Allertz. (Herman) 27. 
Altenhovius (Johannes) 8; xvii. 
Altingius (Menso) iii, iv. 
Amboina viii. 
Ambrosius (Lucas) 16, 17, 18, 28; 

VII, XIX, XX, XXI, XXII. 

Angola 19. 
Antonides 23. 
Arentsen (Hendrick) xiii. 
Arisz. (Adriaen) xv. 
Asher (G. M.) 2, 38, 46. 
Assueri (Meynart) viii. 

Bacx (Josia) viii. 

Badius (Ottol ix, x. 

Bahama 30. 

Barentsz. (Pieter) 35. 

Baudet (P. J. H.) 59, 60. 

Beckom (Abraham Jansz.) xiv, xv. 

Beermans (Lucas) 16; xx. 

Berramuda 30. 

Bever (schip) 52; xxix. 

Blaeu (Willem Jansz.) 59 — 60. 

Blok (P. J.) 20. 

Blommaert (Samuel) 38, 41. 



Bockelman (Hendrick) xiv. 
Bodel Nijenhuis (J. T.) 20, 22. 
Bogardus (Everhardus) 7, 22;xiv, 

XXIV, XXV, XXXI. 

Bogerman (Johannes) i. 

Bonnisz. (Pieter) 16, 19, 28; x — xi, 

XX, XXII, XXIII. 

Borger 26. 

Bourgois (Alonce) xiii, xvi. 

Boys (Jan du) xiii, xiv. 

Bowier (M. W.) 38. 

Brandt (Marten Jansz.) 38. 

Brazilië 59; xvi. 

Brekegeest (Symon Cornelisz.) 46. 

Briele (Michiel Seroijen v. d.)vii. 

Britsen (Hans) xiii. 

Brodhead (J. Romeyn) 2, 3, 4, 

en passim. 
Brom (G.) 2. 
Brouwer (Jan) xii. 
Brower (William L.) 31. 
Bruno (Jac.) 8; xvii. 
Bruyn (C. A. L. van Troosten- 

burg de) 10, 14, 25. 
Buchell (Arend van) 2. 
Buchoff (Gerrit) xv. 
Bullinger (H.) 32; xxiii. 
Burgh (Albert Coenraetsz.) 38. 
Bijlevelt (Pieter Pietersz.) 43 ; xxx. 

Callenbach (J. R.) 30. 
I Campen (Jan Maertsoon) vin. 



i) De arabische cijfers verwijzen naar de bladzijden van den tekst; de romeinschg 
naar die der bijlagen. 

ni 



XXXIV 



Canarische Eilanden 30. 
Capo Verde xiv. 
Casteels-eylant 51; xxviii. 
Cellarius (Robertus) xiii. 
Claesenius 24. 
Claessz. (Lubbert) vin. 
Clevius (Conr.) xvi, xxv. 
Cloppenburgius (Joh.) 20; x, xv. 
Cod (kaap) i, 2. 
Colom (J. A.) 59. 
Cornelisz. (Corn.) xiii, xv. 
Corwin (E. T.) 5, 9, 21, 31. 
Croes (Gerrit Jochemsz.) xiii. 
Croes (Jan Gerritsz.) xiii, xiv. 
Cuyper (Jacob Jansz.) 38. 



Danckers (Justus) 34. 
Daniels (Joseph) viii. 
Dickop 52; XXIX. 
Dideringh (Albert) 55. 
Dierixsz, (Jan) 12. 
Dinckgreven (Hubbertus) xiii. 
Dincklagen (Lubbertus) 22; xxxi. 
Dingman Versteeg (J.) 33. 
Dircksz, (Jan) xv. 
Dirrick (Jan) xir. 
Dirxsz. (Willem) xiii. 
Drystrang (D. Pietersz.) ix, x. 
Douwes (Pieter) xv. 
Dubbeldam (C. W. Th. van Boet- 

zelaer van) 8, 9, 10, 15, 16, 24. 
Duyster (Dirck Cornelisz.) 39, 44, 

55—56. 



Eelkens (Jacob Jacobsen) 45—55; 

XXVI — XXIX. 

Eendracht (schip) 41. 

Eesens 26 ; xviii. 

Egberts (Annetjen) 26; xviii. 

Egbertsz. (Roeloff) iv. 

Emden (D. van den) xi, 

Engeland i, 3. 

Enkhuizen 21; iv, vii. 



Evertsz. (Barent) 19; xii, xxiii. 

Faukelius 15; xix. 
Fernando Orognes xv. 
Fiske (John) 41. 
Florianus (Abraham) xiii. 
Florida 2. 
Franeker 19. 
Frankrijk, 3, 23. 
Frederijcke (Krijn) 33. 
Fredricxs (Jacob) xiv. 
Friesland 17, 19. 
Frikius (Christophorus) 46. 

Qeldorpius (Henr.) 23, 28; xiv, 

XXII, XXXII. 

Gerritsz. (Gerrit) xii. 

Gerryts (Wessel) viii. 

Gerritsz. (Wolfert) 39, 43. 

Ghijsbers (Niesjen) 27. 

Giertsz. (Jan) xiv. 

Godijn (Samuel) 38, 47. 

Gooseau (Charles) xii. 

Gouda IX. 

Griffis (W. Elliot) 36. 

Grinel (Isaac Thomassoon) xii, 

XIII. 

Groenland xii, xiv. 
Groningen 19; iii. 
Grothe (J. A.) 9, 14, i6, 24; viii. 
Guinea 15, i8, 24, 59; viii, ix, x, 

XII, XIII, XIV, XV, XXIV. 

Haerlem (Corn. Carré van) xv. 
Haes (Gijsbert de) xiii. 
Halsbergius 8; xvii. 
Hamburg ix. 
Harderwijk ix. 

Harderwijck (D. Herbertsz. van) 12. 
Harlingen 26; xviii. 
Heemskerk (Jacob van) 10. 
Heinrix (Anne) 27. 
Helmichsen (Helmich) xvi. 
Helmichius (W.) 11 ; vii, xviii. 



XXXV 



Hem 21. 

Hemste (J. Th.) xvi. 

Hendrick (meester) i8; xxi. 

Hendricxsz. (Gillis) viii. 

Hermansz. Qan) vin. 

Hesse (Elias) 46. 

Heurnius (Justus) 30. 

Heydanus (Casp.) 16; xix, xx. 

Heyden (Albert v. d.) iii. 

Heyndricxsz. (Jan) xii. 

Heynsz. (Bouwen) 19, 34; xxiii. 

Hoes (R. Randall) 5. 

Hontom (Hans Jorissen) 44 — 55 ; 

XXVI — xxix. 
Hoorn (Cornelis May van) 30. 
Hoorn (Jan Willemsz. van) xvi. 
Hoornaert (Salomon) xiii. 
Hom (Andr. Dirrixsz. van) xiv. 
Hornaer (Samuel) xiii. 
Houset (Gillis) 38. 
Houtman (Fred. de) viii. 
Hubertsoon (Hendrick) xui. 
Hudden (Andries) xxx. 
Hudson (Henry) 2, 48. 
Hullu (J. de) 2. 
Hulsebos 15. 

Hulst (Joh. v. d.) 56 ; xxx, xxxi. 
Huybertsz. (Hendrick) xiii. 
Huygen (Jan) 31, 32, 33, 34,36; 

xxiii. 



Innes (J. H.) 2, 34. 

Jacobsz. (Adriaen) 14. 
Jacobsz. (Anthony) 59. 
Jacobsz. (Jan) xiii, xv. 
Jacobsen (Rutger) 36. 
Jacobsz. (Theunis) 38. 
Jameson (J. Franklin) 2, 16, 38. 
Jansdochter (Hillegont) 27. 
Jansz. (Bar ent) 10; iv, v. 
Jansz. (Dirck) xti, xiii, xv, xvi. 
Jansz. (Egbert) xxx, xxxi. 
Jansz. (Heinrik) 27. 



Jansz. (Isaac) xiv, xvi. 
Jansz. (Jacob) xiv. 
Jansz. (Jan) 12; viii, 
Jansz. (Jan) 27. 
Jansz. (Pieter) xiv. 
Jaspersz. (Jasper) xiv. 
Jochomsz. (Michiel) xv. 
Joosten (Dirck) 41. 
Joostensz. (^Corn.) 13; xvni. 

Kalmar Sleutel (schip) 41. 

Kampen ix. 

Kelley (F. Bergen) 34. 

Kernkamp (G. W.) 41. 

Keulen ix. 

Kleef 33 ; xxiii. 

Kieft (Willem) 56. 

Krol (Jan Bastiaansz.) 57. 

Laer (A. J. F. van) 38, en passim; 

XXIX. 

Laet (Joh. de) 2, 17, 34. 
Lake Champlain 56. 
Lamberts (Tousijn) xii. 
Landsmeer 14. 

Langenhove (Willem van) viii. 
Langeraad (L. A. van) 2. 
Lanphier (Jer. C.) 31. 
Latomus (Lambertus) xiii, xv. 
Laurensz. (Dirck) 16, 28; xii, xx, 

XXII. 

Laurentius (Jac.) 20, 23; x, xxiv. 

Leeuwarden ix, xiv. 

Le Maire (Joh.) 15, 17, 18; xix, 

XX, XXI. 

Lempou (Jan) 34, 41. 

Lenarts (Hans) 18; xx, xxi. 

Leyden iii. 

Leyden (Jan de Rooy van) xv. 

L'Hermite (Jacques) 16; xx. 

Linseel (P. Louwersen van) xiii, xv. 

Lodewicxs (Jan) xiv. 

Londen xxvii. 

Loo (Abraham van) vin. 



XXXVI 



Lubbertsz. (Esaias) xii. 
Lucassen (Heyndrick) viii. 

Macke (Daniel) xiv. 

Mahycans 39. 

Manhattan-eüand 3, 20, 32, 33, 35, 

36, 37, 42, 43 j XXVI, XXIX, XXXII. 

Marcussen (Jan) 57; xxxii. 
Marcus (Pieter) xiii. 
Mattheus (Jac.) 9; xvii. 
Maquaas xxvi — xxix; 39, 44, 51, 

52, 56. 
Medenbiick (schip) 19; xxiii. 
Mehen (Allardus van) ix. 
Merttensz. (Jan) viii. 
Merwerijcks (Wern.) 13; xviii. 
Metsue (Philips) x. 
Meursius 24. 

Meynartsz. (Meynart) viii, 
Michaëlius (Jonas) 7, 20, 21, 22, 

31» 33y 36, 40; xxiv. 
Middelburg 57. 

Minnertsga (Jan Claesz. van) xiv. 
Minuit (Pieter) 2, 22, 31, 32, 33, 

34, 35» 36, 39, 40, 41, 42; XXIX, 

XXX. 

Mol (J. de) 57. 
Molemaecker (Francoys) 34. 
Molenkil 51; xxviii. 
Monnikendam 28. 
Montaign e-Rivier 2. 
Moscovië XIV. 
Mourcourtius 23; xxxii. 
Muiden iii. 

Muller Fzn. (S.) 30, 32. 
Murphy (H. C.) 46. 

Naarden x. 

Nassau (fort) 3, 45, 60. 
New-Brunswick (N. J.) 4. 
Niagara i. 

Nicolai (Stephanus) iii, iv. 
Nieuw- Amsterdam (fort) 3, 20, 32, 
en passim. 



Nieuw-Engeland, 48, 49. 
Noorder-quartier 17. 
Noord-Rivier 2, 3, 35, 42; xxvi. 
Notelman (Coenraad) 41. 

0'Callaghan (E. B.) 2, 4, en passim. 

Ockersz. (Willem) xiv. 

Oranje (fort) 3, 36, 37, en passim; 

XXVI, XXVII — XXIX. 

Oxenstierna (Axel) 41. 

Pavonia xxx. 

Petri (Rud.) 20, 23, 24, 27; xi, 

xxiii. 
Phernambuco xiv. 
Philips (Jacob) xiv. 
Pieters (J. F.) 38. 
Pietersz. (Abraham) xiv. 
Pietersz. (Gerrit) 28, 29; xii, xxii. 
Pietersz. (Jacob) xiv. 
Pietersz. (Philips) 9, 10; v— vii. 
Plancius (Petrus) 8, 1 1 ; iv, xvii, 

xviii. 
Plancius Jr. (Petrus) ix. 
Planck (J. A.) 56. 
Poel (Corn. Wilnisz. v. d.) xvi. 
Pontkaes (Hendrick) xii. 
Porto Rico 34. 
Pos (Symon Dircksz.) 40. 
Pijper (F.) 32. 

Ravensteyn (Gerardus) iii. 

Remunde (Jan van) 40. 

Rens (Wouter) 13. 

Rensselaer (Kiliaen van) 3, 37, 38, 

39, 40, 42, 44, 50, 52, 56. 
Rensselaerswijck, 3, 37, 42, 52, 

56, 60, 
Reux (Gerrit Mattheusz. de) 43. 
Ritthem (N. C. Lambrechtsen van)3 . 
Riviere (Abr. de la) xxxi. 
Roever (Nic. de) 53 — 55, en passim; 

XXV. 

Rogerius (Abrah.) xvi. 



XXXVII 



Rolandus 15, 19; xix. 
Rotterdam (Corn. Geselius van) viii. 
Ruelius (Julius) xiii. 
Rutgers (F. L.) 10, 11, 12, 13, 

15, 32. 
Ruttenius (Abr.) xvi. 
Ruttenius (Isaacus) xii. 
Ruyteau (Abrah.) xvi. 
Rijssen (J. Henricksz. van)28;xi, 

XII. 

Saggodryochta 52; xxviii. 

Santen (Pieter van) viii. 

Santpunt 47. 

Schagen (P.) 33. 

Schelius (Petrus) xv. 

Schiedam ix. 

Schuyler van Rensselaer 31. 

Schweitzer (Chr.) 46. 

Sepeius 32; xxiii. 

Sloepsbay 41. 

Sloten 9; vii. 

Smoutius (Adr.) 20, 33; xxiv. 

Snell (Evert Jansz.) xii. 

Soust (Heyndrick van) viii. 

Soutbergh (schip) 44, 47, 49. 

Spoelstra (C.) 24. 

St, Christofifel 41. 

St. Martijn xvii. 

Steenwijkerwold 26. 

Stockholm 41. 

Stoffelsdochter (Annetjen) 26,27; 

XVIII, XIX. 

Swalmius (Eleazar) ix. 

Sylvius (Joh.) 8, 20; vii, xvii, xxi. 

Texel 44. 

Texel (Claes Thomasz. van) xvi. 

Theodorici (Andreos) iv. 

Thomasz. (Claes) xiv. 

Tiele (P. A.) 16, 46. 

Traxinus (Lubertus) iii. 

Triglandius (Jac.) 16, 17, 18, 20, 

28; X, XI, XX, XXI, XXII. 

Tyaeus (Isaacus) x. 



Tymansz. (Pieter) xv. 

Tysius (Antonius) iv. 

Tysson (Evert) 11. 

Twiller (Wouter van) 22, 44,' 45^ — 

55; XXVII, XXIX, XXX. 

Ursinus xviii. 

Uutgeest (Jan Jansz. van) xvi, xvii. 

Uuttrecht (P. Claeszbout van) xvi. 

Vaerouse (J. Jaspersz.) xvi. 

Veder (W. R.) 26. 

Ven (Justus v. d.) 43, 53—55; 

XXV, XXXI. 

Verdam (J.) 25. 
Verloop (J. J. H.) 54. 
Versche-Rivier 2, 3, 56. 
Virginia 21, 22, 30; xxiii, xxiv. 
Vischer (Adolphus) iv. 
Visscher (Corn.) 46. 
Visscher (N. J.) 34. 
Vliegende Hert (schip) 41. 
Vogelsanck (Goosen) iv. 
Vorst (Corn. van) xxix, xxx. 
Vries (David Pietersz. de) 46 — 49. 

Wachloo (Christ.) xv. 
Wachtendonk (W.) 56. 
Wachtendorp (Petrus) 24; x. 
Waddington (G.) 38. 
Wapen van Amsterdam (schip) 

33» 35- 
Warmenhuyssen 27. 

Wassenaer (Nic. van) 30, 33, en 

passim. 

Weesp III. 

Wesel 33. 

Wesselsen (Jan) xii, xiv. 

Westbroeck (Claes van) xiv. 

Willemsz. (Cornelis) xni. 

WiUiam (schip) 45—55; xxvii. 

Wilmerdounckius 24. 

Wilnisz. (Jan) xii. 

Wiltens (Casp. Conr.) 14; viii. 



XXXVIII 



Wiltens (Frid.) xvi. 
Wisman (Hermannus) 19. 
Witt (Thomas de) 4, 
Wijnantsz. (Lambert) xii. 

Yszee to. 



Zeeland 15, 16, 17. 
Zeemeeuw (schip) 32, ;^^. 
Zutphen ix. 
Zutphen (Lambert Heindrickssz. 

van) VII. 
Zuid-Rivier i, 3. 



Bij] 



CcaI 



'tt 









x7 









Bijl 



•(9V 



(2). ^Da^as(Söa^^^^c^^^^ i^a(<^ 






Bijl 3 



6i 



\S\' 



ClK-t{\^*v,|.„yv^ 



-wtC 



\Mi iuj>^ -tv»*» »V^ -rt D Ji- v^ 



Bijlage No. 17. iij Oct. 1633). 









(Protoc. V, fol. 143% 



CijUje N'o. ao. .; D.-c «6231 












(.Proloc. \', fol. 157). 



Umi t^Jyt/. 



1^ ^yyi/x o t/n< al 



^d2^' 



Bijlage No. ai. (14 Nov. t6i4>. 



Jv*^ — ''>«crt/-L. 















(Proloc. V, fol. 331). 



2f, 



a^hjii 



Bijlage No. aa. (si Nov. |6«4). 



r 




(Proloc. T, (ol. 931). 



age No, 28. (4 Maart 1632), 



(Protoc. VI, fol. 31Ï). 
age No. 31. (15 Juli 163?.;. -" ^ 



(Protoc. VI, fol. 327). 
ige No. 36. (21 .Sept. 1645). 






Bijlage No. 28. (4 Maart 1632). 









'4r 



è;:ïrc5-c^^ Q ^^(^u\y^<^^^^. ^c^>t^'-^<^> eé<^^>^:*vv<i 



.^ 






io<ftftüc<2^ 



(Protoc. VI, fol. 311). 



Bijlage No. 31. (15 Juli 16301 







(Pruil 



(Pruioc. TI, fol. 327). 



Bijlage No. 36. (21 Sept. 1645). 



Cl>€»{\-^j*..^. 



■-wtt- 






in j' - 






liijlnge No. 37. (28 Sept. 1645). 



(Protoc. VIII, fol. 45)- 



^Im^^J,^ 



r-^ 






(Proloc. VllI, fol. 46). 



MARTINÜS NiJHOFF - UITGEVER = VGRAVENHAQE 



Records of New Amsterdam, The, fróm 1653 to 1674. Minutes 
of Burgomasters and' Schepens. Edited by B. Fernow. Nevv-York, 
1897, 7 din. roy. 8vo. In kalfsleder f120. — 

J. Michaelius, the fïrst minister of the Dutch Reformed Church 



ni 



the United States. Facsimile of his letter, 11 Aug. 1628 
the only extant, written during_the first years of thesettlement 
of New-York. With transscript, preface and Enghsh translation 
by the late Hon. Henry C. Murphy. 1883. 22 biz. met fascimile. 
folio, f6.— 

Hetzelfde bp groot papier f 8 - 

Asher, Q. M., A bibliographical and historical essay on the Dutch 
books and pamphlets relating to New-Netherland and to the 
Dutch West-India Company and to Jts possessions in Brazil, 
Angola etc, as also on the maps,chartSj etc of New-Netherland, 
with ifacsimilis 'of the map of New-Netherland by N. I, Visscher 
and of til e th ree existing views of New-Amsterdam. Amsterdam, 
1854 — ^y . met een uitsl. kaart. kl. 4to. f20.— 

— - Hetzelfde. Exemplaar op groot papier, f 30.— 

Muf phy, Hen. : C, Henry Hudson in Holland. An inquiry into 
the origin and objects of the voyage which led to the disco very 
of the Hudson River. Reprinted, with notes, documents and a 
bibliography, by Wouter Nijhoff, Secretary to the „Linschoten 
Vereeniging". 162 blz. roy. 8vo. In linnen band, kop verguld f5.- — 

De Reis van Jan Corttelisz. May naar de Ijszee en de Ameri- 
kaansche kust 1610 — IÓ12. Verzameling van bescheiden, uitge- 
geven door Mr. S. Muller Fz. LVI en 228 blz. Met 2 kaarten, 
roy. 8vo, Prijs. in linnen band, kop verguld f 10. — 

Kiehl, E. J., Ons verdrag met Amerika. Traktaat van vriendschap 
en comniercie tusschen de Staten-Gener^ial der Vereenigde Neder- 
landen en de Vereenigde Staten van Amerika van 8 Oct. 1782, 
1863. 2, ,154 blz. 8vo. f 1.60 



Typ. Koch & Kuutte! — Oouda. 





















o > 








.0 v^ 



O 



r-^.^ 



o " o w o ^ ^0- 






















/ "^^,\^^%^^. 















^^^c.^ 






A V '^ 








^O 








^^ "^ .V^ 

o . * >* 'S rf 

A**^ o ° " " -» "<*>. 



^^-^^^ 






^ 



<*. 



■o/ ^ 









^^ 

















V .9^ 








^0 




i"' :Mfik. %,** .•^'- \/ .'^% %,^* /Jfe'v ^^.. 




^^ 




















'Jh OOBBS BROS. 

''<^ LIBRARY BIHDINO ^ 



, ST. AUGUSTINE •*, "^^i. ^ *" jSS^i fK'' ^ <C^ '•.^'Sl^J^- "^^ .-d- ^ .